Weerklank Baravond
Aug. 18th, 2024 02:00 pmMijn carpool voor de baravond had buikgriep en in plaats van mij 2½ uur met het OV te laten reizen wilde Eisirt wel naar zijn werk fietsen en kon ik met de auto naar Muiden rijden. Op de heenweg zag ik dat vanwege werkzaamheden op de A2 de A27 helemaal op slot stond tussen Utrecht en Everdingen, dus ik voorzag al flinke drama voor de zondag. Ik nam me voor om op tijd te stoppen met spelen en gewoon heel verstandig 's nachts het hele eind naar huis te rijden en zo de file te vermijden.
De baravond was in de Westbatterij, vlakbij het Muiderslot, een onderdeel van de Nieuwe Waterlinie om Amsterdam te beschermen. Het kleine fort was vooral in gebruik geweest door scouting en er was (rommelig en vies) sanitair beschikbaar, inclusief een sticker op de spiegel boven de wasbak met de instructie 'niet aan likken'.
Oh, ok. Was ik niet van plan.
Ik was één van de eersten en haalde mijn krat met kostuumspullen uit de auto. Het scheelde alweer dat ik geen bed op hoefde te maken op de betonnen vloer, en ik legde mijn schapenvachtje neer als vloerkleed terwijl ik me omkleedde tot Katya. We aten een hele simpele maar smaakvolle pastasalade als avondeten, en gingen toen tijd-in.
Ik kreeg nog een speciale scene buiten (IC: tijdens de jacht in het Duister) die zich af had gespeeld niet lang na het laatste event, dus een aantal weken geleden.
Er zat een konijn in mijn val. Ik aaide het lange gras aan de kant en pakte mijn dolk. Een ferme slag met het handvat maakte een einde aan het leven van het beestje. Zo zou het geen bloed druppen op mijn kleding en kon de leerlooier de vacht voorzichtig afstropenzonder rekening te moeten houden met grote verwondingen.
Een kriebelend gevoel verspreidde zich door mijn hand. Het leek een beetje op het gevoel van toen ik de Dolk waarmee Johanna was vermoord vast had gehouden.
Ik hoorde een stem.
"Keh'lev is dood, en jij hebt daaraan bijgedragen." Een windvlaag, of een zucht? "Als je wilt, mag je een deel van zijn kracht. Wil je dat?"
Ik hoefde er niet lang over na te denken. "Ja." reageerde ik direct.
Een zwarte schaduw, met dat kriebelende gevoel verspreidde zich van mijn hand naar boven. Het verdween onder mijn mouw en trok naar mijn borst. De schaduw verdween en mijn arm zag er weer normaal uit. Maar toen ik verder keek in de duisternis kon ik ineens veel verder kijken. Het was alsof het Duister zicht niet meer zo voor mij afsloot. Ik kon om me heen kijken en zien alsof het helder daglicht was.
In de verte bewoog iets. Een schim? Nee, een vrouw. Ze was gekleed in een zwarte mantel met vierkante schouders, en ze droeg een masker van een vogel hoog op haar voorhoofd. Haar ogen priemden door het duister onder het masker door.
"Was jij dat?" riep ik haar toe.
Ze draaide zich naar me toe, maar antwoordde niet.
"Die stem, was jij dat?"
Toen ze nog steeds niet antwoordde, stelde ik een andere vraag. "Ben je ons in de gaten aan het houden?"
"Dat zou je kunnen zeggen."
Ik hm'de. "Wat is je naam?"
Ze keek verward, en omdat ze niet antwoordde ging ik verder: "Als je ons in de gaten houdt zullen we elkaar nog wel eens vaker zien. Het is toch handig als ik dan weet hoe ik je mag noemen."
Ze mompelde iets. Ik kon het niet echt verstaan.
"Zwarte Soep?" vroeg ik met twijfel in mijn stem. "Dat is hoe je genoemd wilt worden? Rare naam, maar goed. Hoor jij bij de Raven?"
Ze ontkende, en was erg terughoudend. Ik kon er niet veel uithalen, en uiteindelijk liep ze weer weg, het Duister in. Ik kon haar lang volgen, nu mijn ogen versterkt waren met de kracht van Keh'lev.
In de herberg de Blauwe Lantaarn waren een aantal mensen verzameld, waaronder Vrouwe Corcra en Iisrael. Ze bespraken de Anioliërs en wat die nu wilden. Ik snapte er niet zoveel van, en vond het niet bijster boeiend. Ik had nooit veel met Anioliërs te maken gehad, en blijkbaar waren ze heel gehecht aan vaste plekken om dingen te doen. Ze hadden een eiland voor het maken van boten, een ander eiland om te eten, en weer een ander eiland om te slapen. Dat wij alles door elkaar deden, vonden ze maar raar. Vrouwe Corcra vroeg of ik misschien een plek wist waar de Anoliërs een bloedoffer konden doen, misschien een grote platte steen. Hij/zij was gevraagd door de regering van Forena om hen een plek te bieden, en als ik daarbij kon helpen was dat fijn. Maar het was wel duidelijk dat we de Anioliërs nooit moesten laten weten dat er een Bloedkathedraal in de buurt was.
Later kon ik ook even een gesprek met Vrouwe Corcra hebben. Ik wilde eigenlijk met Tybor Schoonhewortal praten, maar hij was door zijn rug gegaan en kon er niet bij zijn die avond. Ik vertelde dat ik mijn man zo miste en dat ik niet terug naar huis kon. Vrouwe Corcra stelde voor dat mijn man wellicht naar Waldlisse kon komen om bij mij te zijn.
"Heb jij een tweede smid nodig dan? Arut werkt zo hard dat het me bijna niet nodig lijkt." wierp ik tegen. Ik kon het me niet voorstellen hoe het zou zijn als Sacha hier zou komen. Zou hij blij zijn om me te zien?
"We hebben ontzettend veel spijkers nodig om al die huizen te bouwen, en Arut heeft nu ook nieuwe taken gekregen. Een extra smid zou zich echt niet hoeven vervelen. En denk aan de verdediging: zwaarden, pantsers..."
"Sacha weet niet waar ik ben;" zei ik snel. "En mijn schoonvader ook niet. En dat wil ik heel graag zo houden. Ik was met de broer van Sacha op pad gestuurd, met een mandaat, om een boek van Wilhelm te gaan zoeken. Ilya is daarbij omgekomen. Ik durdfe niet terug naar huis te gaan."
Ik vertelde niet hoe Ilya was omgekomen. Dat er drie pijlen nodig waren om mijn woede te koelen. Dat die drie pijlen mijn leven voorgoed op zijn kop hadden gezet.
Ik haalde de brief die Amanda mij had gegeven uit mijn buidel en bood hem aan vrouwe Corcra aan. Hij/zij las de brief en vroeg voorzichtig: "Maar jij had toch niets te maken met de dood van Ilya. Waarom zou je niet naar huis kunnen?"
Ik ontweek de vraag. "Ilya is het oogappeltje van mijn schoonvader, Boris Wilhelmshaamer Stamvaader. Dat Boris een zoon zou verliezen... hij is geen makkelijke man. Hij is pachter van de rustplek, en regeert daar met een ijzeren vuist. Iemand die tegen zijn zin in zou gaan...dat is ondenkbaar.
"Ik wilde Tybor Schoonhewortal vragen om een brief terug te schrijven aan Boris. Dat hij mij heeft ontmoet maar dat ik gevallen ben in de strijd of iets dergelijks. Zodat ze me niet meer zoeken. Misschien mijn dolken meesturen als bewijs. Iets wat Sacha zou herkennen."
Mijn hart weende. Dat zou betekenen dat ik Sacha nooit meer zou kunnen zien, dat ik voor altijd hier moest blijven. Ik drukte mijn gevoel weg. Ik kon niet blijven hopen dat het goed zou komen, ik moest een nieuw leven opbouwen hier in het Duister, in Waldlisse. Ik kon niet vasthouden aan een verleden wat voor altijd buiten mijn bereik zou blijven.
"Wat als Sacha ineens op komt dagen om me te zoeken, en niet wil blijven als smid?" vroeg ik voorzichtig. "We kunnen een brief sturen dat ik overleden ben of hem te vragen hier te komen werken, maar niet allebei. Deze twee opties sluiten elkaar uit, en zogauw hij weet dat ik hier ben kan hij niet meer vertrekken."
"Dan is er wel een oplossing te bedenken. Een cel. Tot hij van gedachten is veranderd." Corcra dacht na. "Tybor Schoonhewortal...weet je wat voor persoon hij is? Zijn vrouw is opgevangen in Forena."
Ik knikte. "Tybor vertelde dat ze bewaakt wordt voor haar eigen bescherming." Ik zei er niet bij dat hij had gezegd dat ze in een gevangenis zat om haar veilig te houden. Dat ik vermoedde dat Tybor een crimineel was.
"Ik denk dat het verstandig is als ik bij dat gesprek met Tybor aanwezig ben, ook om Tybor te laten weten dat ik op de hoogte ben."
Ik hoorde wat Corcra tussen de regels impliceerde: dat Tybor geen misbruik kon maken van de situatie en mij voor zijn karretje kon spannen omdat Corcra erbij was en op de hoogte was.
Het gesprek liep op zijn einde, en ik ging richting de deur, maar draaide me terug. "Weet je dat de schout informatie over jou aan het verzamelen is?" vroeg ik. "Over wat er met de Anioliërs is gebeurd die een tijd geleden in Waldlisse aankwamen, onder andere."
"Ja, dat weet ik." zuchtte Corcra. "Natuurlijk zul je hem helpen met zijn onderzoek."
"Absoluut." knikte ik. "En als er bepaalde informatie is die de schout nodig heeft, dan hoor ik graag van jou welke informatie ik de schout kan geven."
Ik hoopte dat Corcra de hint oppikte. Ik wilde best de schout valse informatie toespelen, als dat betekende dat Corcra achter mij zou staan. Veel duidelijker dan dit kon ik het niet maken.
Gedurende de avond kwamen er af en toe personen de herberg binnen, en terwijl Corcra met een gravin zich terugtrok hield Arut de wacht bij de deur. De rest van ons bleven buiten staan zodat ze niet gestoord zouden worden. Elke keer dat het gesprek over Keh'lev of de dolk ging, kriebelde mijn arm weer, en krabde ik afgeleid aan mijn arm.
Er kwamen ook twee reizigers uit het Duister binnen. Een broeder en zuster uit de stammen! Ik verwelkomde ze en we praatten kort. De dame wilde een bibliotheek gaan stichten, dus ik stoorde Corcra even (die inmiddels in een ander gesprek zat) om dit aan hem/haar door te geven. Corcra zei toe dat er een klein, tijdelijk gebouw voor geplaatst zou kunnen worden, zodat de Scharhaevenaren daar hun avondgebed aan Wilhelm konden richten, en de boeken daar opgevangen konden worden. Dit rapporteerde ik weer aan de nieuwe Scharhaevenaren.
Ik somde op welke broeders van Scharhaeve nog meer in Waldlisse aanwezig waren, en vertelde over de dolk.
De man, een paladijn op doorreis, bleef maar vragen stellen over de dolk. Ik vroeg hem of hij, als hij weer terug naar Scharhaeve zou reizen, wellicht mijn verslag mee zou kunnen nemen over de dolk. Zodat ook bij de Bibliotheek van Wilhelm bekend zou zijn dat de Dolk die Johanna had vermoord was gevonden en veilig gehouden zou worden in een heuse bibliotheek in Waldlisse.
Het wordt hoog tijd dat ik die brief dus ga opstellen!
Daarna liep ik nog even langs Job en Anneloes om te vertellen dat ik naar huis zou vertrekken, en ik gaf een opsomming van mijn gesprekken door aan Job, die helemaal stond te stuiteren. Hij gaf me een compliment dat ik als Katya echt heel veel van mijn achtergrond vertelde en alles eigenlijk open op tafel lag, maar niet al te veel details prijs gaf waardoor het voor andere spelers heel moeilijk te zien was dat ik inderdaad the bad guy ben.
Ik ging gewoon in mijn kostuum in de auto zitten (riem en wapens af) en reed richting huis. De benzinemeter stond redelijk laag, dus die ging ik in de gaten houden. Gelukkig was het op de A27 heel rustig en er was geen file meer. Precies zoals ik al hoopte.
Bij Den Bosch ging het lampje op het dashboard branden: meestal is dat een teken dat je nog 50 kilometer kan rijden met de benzine die je nog hebt, maar toen ik dat raadpleegde op het dashboard zei de auto dat hij nog rustig 78 kilometer kon gaan. Volgens de routeplanner was het een stuk minder ver naar huis, dus ik reed rustig verder. Tegen de tijd dat ik bij Boxtel kwam was het verhaal heel anders. Waar ik eerst een marge van 50 kilometer 'over' had, werd die marge steeds kleiner. Net na de afslag Boxtel-Liempd is het laatste tankstation voor thuis, en omdat ik het zo in de gaten hield, durfde ik die niet voorbij te rijden. Ik stopte bij het tankstation en tankte 5 liter benzine zodat ik zeker thuis zo komen.
Na het tanken schepte de auto op: hier kon ik nog makkelijk 150 kilometer mee rijden.
Jaja, nou ik weet heel zeker dat we geen 1 op 30 rijden maar meestal 1 op 18...
Ik was even na middernacht thuis, waar ik Eisirt nog wakker aantrof. En we kropen lekker samen in een zacht bed wat niet op de betonnen vloer van een fort was.
De baravond was in de Westbatterij, vlakbij het Muiderslot, een onderdeel van de Nieuwe Waterlinie om Amsterdam te beschermen. Het kleine fort was vooral in gebruik geweest door scouting en er was (rommelig en vies) sanitair beschikbaar, inclusief een sticker op de spiegel boven de wasbak met de instructie 'niet aan likken'.
Oh, ok. Was ik niet van plan.
Ik was één van de eersten en haalde mijn krat met kostuumspullen uit de auto. Het scheelde alweer dat ik geen bed op hoefde te maken op de betonnen vloer, en ik legde mijn schapenvachtje neer als vloerkleed terwijl ik me omkleedde tot Katya. We aten een hele simpele maar smaakvolle pastasalade als avondeten, en gingen toen tijd-in.
Ik kreeg nog een speciale scene buiten (IC: tijdens de jacht in het Duister) die zich af had gespeeld niet lang na het laatste event, dus een aantal weken geleden.
Er zat een konijn in mijn val. Ik aaide het lange gras aan de kant en pakte mijn dolk. Een ferme slag met het handvat maakte een einde aan het leven van het beestje. Zo zou het geen bloed druppen op mijn kleding en kon de leerlooier de vacht voorzichtig afstropenzonder rekening te moeten houden met grote verwondingen.
Een kriebelend gevoel verspreidde zich door mijn hand. Het leek een beetje op het gevoel van toen ik de Dolk waarmee Johanna was vermoord vast had gehouden.
Ik hoorde een stem.
"Keh'lev is dood, en jij hebt daaraan bijgedragen." Een windvlaag, of een zucht? "Als je wilt, mag je een deel van zijn kracht. Wil je dat?"
Ik hoefde er niet lang over na te denken. "Ja." reageerde ik direct.
Een zwarte schaduw, met dat kriebelende gevoel verspreidde zich van mijn hand naar boven. Het verdween onder mijn mouw en trok naar mijn borst. De schaduw verdween en mijn arm zag er weer normaal uit. Maar toen ik verder keek in de duisternis kon ik ineens veel verder kijken. Het was alsof het Duister zicht niet meer zo voor mij afsloot. Ik kon om me heen kijken en zien alsof het helder daglicht was.
In de verte bewoog iets. Een schim? Nee, een vrouw. Ze was gekleed in een zwarte mantel met vierkante schouders, en ze droeg een masker van een vogel hoog op haar voorhoofd. Haar ogen priemden door het duister onder het masker door.
"Was jij dat?" riep ik haar toe.
Ze draaide zich naar me toe, maar antwoordde niet.
"Die stem, was jij dat?"
Toen ze nog steeds niet antwoordde, stelde ik een andere vraag. "Ben je ons in de gaten aan het houden?"
"Dat zou je kunnen zeggen."
Ik hm'de. "Wat is je naam?"
Ze keek verward, en omdat ze niet antwoordde ging ik verder: "Als je ons in de gaten houdt zullen we elkaar nog wel eens vaker zien. Het is toch handig als ik dan weet hoe ik je mag noemen."
Ze mompelde iets. Ik kon het niet echt verstaan.
"Zwarte Soep?" vroeg ik met twijfel in mijn stem. "Dat is hoe je genoemd wilt worden? Rare naam, maar goed. Hoor jij bij de Raven?"
Ze ontkende, en was erg terughoudend. Ik kon er niet veel uithalen, en uiteindelijk liep ze weer weg, het Duister in. Ik kon haar lang volgen, nu mijn ogen versterkt waren met de kracht van Keh'lev.
In de herberg de Blauwe Lantaarn waren een aantal mensen verzameld, waaronder Vrouwe Corcra en Iisrael. Ze bespraken de Anioliërs en wat die nu wilden. Ik snapte er niet zoveel van, en vond het niet bijster boeiend. Ik had nooit veel met Anioliërs te maken gehad, en blijkbaar waren ze heel gehecht aan vaste plekken om dingen te doen. Ze hadden een eiland voor het maken van boten, een ander eiland om te eten, en weer een ander eiland om te slapen. Dat wij alles door elkaar deden, vonden ze maar raar. Vrouwe Corcra vroeg of ik misschien een plek wist waar de Anoliërs een bloedoffer konden doen, misschien een grote platte steen. Hij/zij was gevraagd door de regering van Forena om hen een plek te bieden, en als ik daarbij kon helpen was dat fijn. Maar het was wel duidelijk dat we de Anioliërs nooit moesten laten weten dat er een Bloedkathedraal in de buurt was.
Later kon ik ook even een gesprek met Vrouwe Corcra hebben. Ik wilde eigenlijk met Tybor Schoonhewortal praten, maar hij was door zijn rug gegaan en kon er niet bij zijn die avond. Ik vertelde dat ik mijn man zo miste en dat ik niet terug naar huis kon. Vrouwe Corcra stelde voor dat mijn man wellicht naar Waldlisse kon komen om bij mij te zijn.
"Heb jij een tweede smid nodig dan? Arut werkt zo hard dat het me bijna niet nodig lijkt." wierp ik tegen. Ik kon het me niet voorstellen hoe het zou zijn als Sacha hier zou komen. Zou hij blij zijn om me te zien?
"We hebben ontzettend veel spijkers nodig om al die huizen te bouwen, en Arut heeft nu ook nieuwe taken gekregen. Een extra smid zou zich echt niet hoeven vervelen. En denk aan de verdediging: zwaarden, pantsers..."
"Sacha weet niet waar ik ben;" zei ik snel. "En mijn schoonvader ook niet. En dat wil ik heel graag zo houden. Ik was met de broer van Sacha op pad gestuurd, met een mandaat, om een boek van Wilhelm te gaan zoeken. Ilya is daarbij omgekomen. Ik durdfe niet terug naar huis te gaan."
Ik vertelde niet hoe Ilya was omgekomen. Dat er drie pijlen nodig waren om mijn woede te koelen. Dat die drie pijlen mijn leven voorgoed op zijn kop hadden gezet.
Ik haalde de brief die Amanda mij had gegeven uit mijn buidel en bood hem aan vrouwe Corcra aan. Hij/zij las de brief en vroeg voorzichtig: "Maar jij had toch niets te maken met de dood van Ilya. Waarom zou je niet naar huis kunnen?"
Ik ontweek de vraag. "Ilya is het oogappeltje van mijn schoonvader, Boris Wilhelmshaamer Stamvaader. Dat Boris een zoon zou verliezen... hij is geen makkelijke man. Hij is pachter van de rustplek, en regeert daar met een ijzeren vuist. Iemand die tegen zijn zin in zou gaan...dat is ondenkbaar.
"Ik wilde Tybor Schoonhewortal vragen om een brief terug te schrijven aan Boris. Dat hij mij heeft ontmoet maar dat ik gevallen ben in de strijd of iets dergelijks. Zodat ze me niet meer zoeken. Misschien mijn dolken meesturen als bewijs. Iets wat Sacha zou herkennen."
Mijn hart weende. Dat zou betekenen dat ik Sacha nooit meer zou kunnen zien, dat ik voor altijd hier moest blijven. Ik drukte mijn gevoel weg. Ik kon niet blijven hopen dat het goed zou komen, ik moest een nieuw leven opbouwen hier in het Duister, in Waldlisse. Ik kon niet vasthouden aan een verleden wat voor altijd buiten mijn bereik zou blijven.
"Wat als Sacha ineens op komt dagen om me te zoeken, en niet wil blijven als smid?" vroeg ik voorzichtig. "We kunnen een brief sturen dat ik overleden ben of hem te vragen hier te komen werken, maar niet allebei. Deze twee opties sluiten elkaar uit, en zogauw hij weet dat ik hier ben kan hij niet meer vertrekken."
"Dan is er wel een oplossing te bedenken. Een cel. Tot hij van gedachten is veranderd." Corcra dacht na. "Tybor Schoonhewortal...weet je wat voor persoon hij is? Zijn vrouw is opgevangen in Forena."
Ik knikte. "Tybor vertelde dat ze bewaakt wordt voor haar eigen bescherming." Ik zei er niet bij dat hij had gezegd dat ze in een gevangenis zat om haar veilig te houden. Dat ik vermoedde dat Tybor een crimineel was.
"Ik denk dat het verstandig is als ik bij dat gesprek met Tybor aanwezig ben, ook om Tybor te laten weten dat ik op de hoogte ben."
Ik hoorde wat Corcra tussen de regels impliceerde: dat Tybor geen misbruik kon maken van de situatie en mij voor zijn karretje kon spannen omdat Corcra erbij was en op de hoogte was.
Het gesprek liep op zijn einde, en ik ging richting de deur, maar draaide me terug. "Weet je dat de schout informatie over jou aan het verzamelen is?" vroeg ik. "Over wat er met de Anioliërs is gebeurd die een tijd geleden in Waldlisse aankwamen, onder andere."
"Ja, dat weet ik." zuchtte Corcra. "Natuurlijk zul je hem helpen met zijn onderzoek."
"Absoluut." knikte ik. "En als er bepaalde informatie is die de schout nodig heeft, dan hoor ik graag van jou welke informatie ik de schout kan geven."
Ik hoopte dat Corcra de hint oppikte. Ik wilde best de schout valse informatie toespelen, als dat betekende dat Corcra achter mij zou staan. Veel duidelijker dan dit kon ik het niet maken.
Gedurende de avond kwamen er af en toe personen de herberg binnen, en terwijl Corcra met een gravin zich terugtrok hield Arut de wacht bij de deur. De rest van ons bleven buiten staan zodat ze niet gestoord zouden worden. Elke keer dat het gesprek over Keh'lev of de dolk ging, kriebelde mijn arm weer, en krabde ik afgeleid aan mijn arm.
Er kwamen ook twee reizigers uit het Duister binnen. Een broeder en zuster uit de stammen! Ik verwelkomde ze en we praatten kort. De dame wilde een bibliotheek gaan stichten, dus ik stoorde Corcra even (die inmiddels in een ander gesprek zat) om dit aan hem/haar door te geven. Corcra zei toe dat er een klein, tijdelijk gebouw voor geplaatst zou kunnen worden, zodat de Scharhaevenaren daar hun avondgebed aan Wilhelm konden richten, en de boeken daar opgevangen konden worden. Dit rapporteerde ik weer aan de nieuwe Scharhaevenaren.
Ik somde op welke broeders van Scharhaeve nog meer in Waldlisse aanwezig waren, en vertelde over de dolk.
De man, een paladijn op doorreis, bleef maar vragen stellen over de dolk. Ik vroeg hem of hij, als hij weer terug naar Scharhaeve zou reizen, wellicht mijn verslag mee zou kunnen nemen over de dolk. Zodat ook bij de Bibliotheek van Wilhelm bekend zou zijn dat de Dolk die Johanna had vermoord was gevonden en veilig gehouden zou worden in een heuse bibliotheek in Waldlisse.
Het wordt hoog tijd dat ik die brief dus ga opstellen!
Daarna liep ik nog even langs Job en Anneloes om te vertellen dat ik naar huis zou vertrekken, en ik gaf een opsomming van mijn gesprekken door aan Job, die helemaal stond te stuiteren. Hij gaf me een compliment dat ik als Katya echt heel veel van mijn achtergrond vertelde en alles eigenlijk open op tafel lag, maar niet al te veel details prijs gaf waardoor het voor andere spelers heel moeilijk te zien was dat ik inderdaad the bad guy ben.
Ik ging gewoon in mijn kostuum in de auto zitten (riem en wapens af) en reed richting huis. De benzinemeter stond redelijk laag, dus die ging ik in de gaten houden. Gelukkig was het op de A27 heel rustig en er was geen file meer. Precies zoals ik al hoopte.
Bij Den Bosch ging het lampje op het dashboard branden: meestal is dat een teken dat je nog 50 kilometer kan rijden met de benzine die je nog hebt, maar toen ik dat raadpleegde op het dashboard zei de auto dat hij nog rustig 78 kilometer kon gaan. Volgens de routeplanner was het een stuk minder ver naar huis, dus ik reed rustig verder. Tegen de tijd dat ik bij Boxtel kwam was het verhaal heel anders. Waar ik eerst een marge van 50 kilometer 'over' had, werd die marge steeds kleiner. Net na de afslag Boxtel-Liempd is het laatste tankstation voor thuis, en omdat ik het zo in de gaten hield, durfde ik die niet voorbij te rijden. Ik stopte bij het tankstation en tankte 5 liter benzine zodat ik zeker thuis zo komen.
Na het tanken schepte de auto op: hier kon ik nog makkelijk 150 kilometer mee rijden.
Jaja, nou ik weet heel zeker dat we geen 1 op 30 rijden maar meestal 1 op 18...
Ik was even na middernacht thuis, waar ik Eisirt nog wakker aantrof. En we kropen lekker samen in een zacht bed wat niet op de betonnen vloer van een fort was.
Bij de Renault garage in Veldhoven konden ze de accu wel even nameten en reden ze Aurum gelijk de brug even op omdat ik vermoedde dat een schokbreker kapot was. Zo konden we de zaak eens van een hele andere kant bekijken. Ik was nog nooit onder een auto door gelopen en mijn lieve Aurumpje was erg imposant. Zeker toen de monteur de brug wat hoger zette terwijl ik net onder de auto door liep en de warme uitlaat in de buurt van mijn voorhoofd voelde. Iek!