janestarz: (Default)
[personal profile] janestarz
Nieuwbegin, 13 NC

Dappere Marsilacanen!

Vele geruchten doen inmiddels de ronde. Helaas zijn niet ze allemaal onwaar. Onze Baronie verkeert momenteel in een groot, duister gevaar. Wij zullen ons allen moeten wapenen tegen de Zwarte Graaf.
Van vele, soms onverwachte kanten is mij inmiddels hulp en informatie aangeboden. Dit stemt mij goed. Wij allen zullen onze krachten moeten bundelen om onze vrijheid te behouden. Uw hulp, die u al zo vaak heeft geboden en waar ik al zo vaak met succes op heb vertrouwd, is opnieuw benodigd.
Ik roep u op, om op de laatste Ertsdag van Nieuwbegin samen te komen in het zuiden van Koeterwaal, op de driesprong een uur ten noorden van Vlimmen, om met vereende krachten ervoor te zorgen dat wij op alle mogelijke manieren goed bewapend zijn.

Voor vrijheid en voor Marsilac!
Wolfgang, Baron van Marsilac tot Oosterdiep



En daar stonden ze dan, op een driesprong vlakbij Vlimmen. Veel bekende gezichten: Hugo, Leopold, Polomeus, Claudius, Aurelia, Alex, en zelfs Ellenora zonder Fedor.
Vlakbij de driesprong was een lichtje, een klooster van Anmarack, waar ze verwelkomd werden door zeer vriendelijke en beleefde monniken en nonnen. Ze waren vrij om te blijven, maar in de ziekenboeg lagen een viertal onfortuinlijken, die heel ziek waren, en die met rust gelaten dienden te worden.
Edith drong aan en mocht uiteindelijk wel kijken bij de zieken, en langzaam maar zeker werden er genezers toegelaten tot de ziekenboeg. Nadat Marianne met Claudius geprobeerd had een stoffig oud document van de Academie te vertalen naar nieuw-Marsilacaans, smokkelde Polomeus haar als zijn assistente mee naar binnen.

Vier bedden, met het hoofdeinde tegen een lange muur met een paar ramen. Tussen de bedden was ruimte voor een tafeltje en een stoeltje. Het was een heel kille ruimte, met hoge boekenkasten aan de andere zijde, een alchemistische opstelling en een grimmige tekening op de vloer helemaal achterin de ruimte.
De vier zieken bewogen niet, en de non met de vriendelijke glimlach legde rustig uit wat zij deden om ze te helpen. Een luik middenin de vloer zou toegang geven tot een beerput, en ze deden hun best om de zieken schoon te houden en gevoed te krijgen, maar het was erg lastig.
Polomeus nam plaats naast het eerste bed, en concentreerde zich. Hij mediteerde kort en pakte voorzichtig de handen van de patiënt vast. Hij bleef lange tijd stil, en Marianne begon rustig eens rond te kijken. De ruimte was schemerig, en de teksten op de boeken waren bijna niet leesbaar. Het alchemische laboratorium stond vol met flesjes, en de oproep van de baron lag op tafel. De tekening achterin de ruimte verbaasde Marianne. Een zandtekening van een raaf op een zwaard wat boven een schedel lag, omcirkeld in een andere kleur zand. Ze bleef er even naar kijken en liep langzaam weer terug naar het voeteneind van het bed. Uiteindelijk hief Polomeus zijn hoofd weer op. “De geest is weg.” sprak hij.
Ze bedankten de nonnetjes voor hun tijd en stapten weer naar buiten. De deur viel achter hen in het slot.

Er was ook een Zwarte Gardist aangekomen bij het klooster. Hij sprak kort met Marianne, maar ze was terughoudend. Eigenlijk wist ze niet zo goed of ze hem kon vertrouwen, en hij leek ook wat nerveus.
“Ik had gevraagd of ik u en de anderen die bij de baron op audiëntie zijn geweest kon spreken vanavond. U is niets verteld?” sprak Brennan, een harde toon van afkeuring in zijn stem.
“Oh, nee. Ik weet van niets. Het spijt me;” antwoordde Marianne verlegen.
De Zwarte Gardist vroeg nog even door, en Marianne gaf mondjesmaat informatie, maar hield zich wel op de vlakte. Ze was nog niet zo overtuigd dat hij inderdaad uit de persoonlijke garde van de baron kwam, en ze excuseerde haarzelf bij de eerste mogelijkheid.

Terwijl ze bij het haardvuur zat, probeerde Claudius haar blik te vangen, maar ze ontweek zijn ogen. Sinds de avond in ‘t Dorstige Hart in Orkenslacht was de propere magiër veranderd, en Marianne kon haar vinger er niet precies opleggen waarom het haar stak.
Uiteindelijk stond Claudius op, met als excuus dat hij zijn beker weg wilde zetten. Hij ging tussen haar en het haardvuur zitten. Nu kon ze hem niet langer negeren.
“Vrouwe Marianne.” sprak Claudius met een correcte intonatie, zoals ze hem kende als de propere man. Al snel brak de doortastende man door, die ze had leren kennen in Orkenslacht. “Ik zou u graag deze ring geven.”
“Ach Claudius.” verzuchtte Marianne. “Waarom?”
“Ik zou graag iets voor u terug willen doen.” sprak Claudius. Hij keek haar doordringend aan en Marianne sloeg haar ogen neer. Eventjes zuchtte ze, maar toen keek ze Claudius aan.
“Claudius, ik wil je ring niet krijgen. Als ik een ring zou willen, zou ik hem stelen. Als ik een ring zou stelen, zou ik hem offeren. Ik wil je ring niet krijgen.”
Claudius keek boos, en dacht even na. Toen schoof hij de ring over zijn eigen pink. Het paste maar net. “Dan is hij hier, tot je hem wilt hebben.”
Terwijl de andere gasten naar bed gingen, bleven Claudius, Polomeus, en Marianne bij het haardvuur zitten. Uiteindelijk was alleen Fratseur de gnoom nog over. Polomeus probeerde hem over te halen ons met rust te laten, maar de gnoom negeerde alle opmerkingen en drong zich erg op.
Uiteindelijk stond Polomeus op van zijn stoel en gebruikte zijn mes, gelijk de wonde genezend. “Snap je het al?”
“Auw!” zei Fratseur. “Waarom doe je dat nou?”
Polomeus herhaalde zijn actie. Snij, genees. Fratseur krabbelde op en maakte dat hij wegkwam, de deur viel achter hem dicht.

De vlammen in de haard stierven langzaam weg, en Polomeus keek Marianne aan, knikte met zijn hoofd naar Claudius.
“Ik weet wat ik gezegd heb;” zei Marianne; “maar eigenlijk ben ik nog steeds niet overtuigd.”
“Hoe kun je wel overtuigd worden?” vroeg Polomeus. “Als hij het in een ritueel zou zeggen? Als er bloed bij vloeit?” Hij sprong direct op van zijn stoel, en liep naar de bar, waar hij de suikerpot weggriste. “Kom eens staan.” zei hij tegen Claudius.
Met de suiker strooide Polomeus een cirkel rondom Claudius en hemzelf, en met de rituele woorden sloot hij de cirkel. Claudius had een dolk in zijn hand.
“Doe het voor Dinea;” zei Polomeus.
Claudius kneep in het handvat van de dolk, ademde diep in. Hij worstelde met zichzelf, zag Marianne. Zijzelf zat gespannen in de stoel, maar bewoog niet. Haar benen gekruist, een paar vingers tegen haar slaap. Uiteindelijk legde ze haar hand naast haar op de leuning, hief haar hoofd nog wat verder. Haar volledige aandacht was bij Claudius toen hij Dinea aanriep en de dolk diep in Polomeus zijn zij stak.
Marianne knipperde met haar ogen.
Het bloed liep over zijn kleding, maar Polomeus bracht een hand naar de wond en mompelde een genezingsspreuk. De wond dichtte zichzelf en hij opende de cirkel, pakte een doek om zijn handen en de dolk schoon te maken. Eén voor één namen de ze weer plaats bij het haardvuur.

Het was toch al licht geweest toen Marianne haar bed op had gezocht en het vrolijke gefluit van de vogeltjes had haar in slaap gezongen. Het was fijn om zo lang van de nacht te genieten, de stilte en rust, de vederzachte aanraking van duisternis. Het maakte ‘s morgens opstaan toch wel lastiger en veel van de avonturiers waren al wakker en druk bezig rondom het klooster toen ze de gelagzaal instapte.
Alex benaderde haar, en wilde graag een kopje thee met haar drinken.
“Koffie, geen thee alsjeblieft.” zei Marianne schuchter, haar ogen neerslaand. Terwijl Alex een beker koffie voor haar haalde wreef ze snel nog even de slaap uit haar ogen.
Alex bleek geïnteresseerd te zijn in haar kijk op de problemen tussen Zepultoera en Marsilac. Hij had bij hun audiëntie bij de baron lang voor baron Wolfgang gezeten, geknield, maar Marianne had niet verstaan waar de heren over gepraat hadden. Alex’ stem was een zacht gefluister, en de baron had niet veel gezegd.
Alex schoof zijn stoel wat dichterbij. Wellicht was dat nare litteken in zijn hals de reden dat hij alleen maar fluisterde; soms legde hij zijn hand erop als hij wat harder wilde praten maar het niet ging.
“In Zepultoera, drie facties.” begon Alex. Hij herhaalde de informatie die Aurelia op de audiëntie met iedereen gedeeld had. “Ik ben benieuwd hoe jij het conflict ziet tussen Marsilac en Zepultoera.
Marianne zuchtte. “Oh, dat vind ik moeilijk. Ik ben maar een eenvoudige scribent.”
“Maar wel eentje die bij de baron is geweest.” reageerde Alex direct.
Marianne knikte, slikte. “Het lijkt me dat in dit conflict, juist het gewone volk snel het slachtoffer is. De adel, de Zwarte Graaf en de necropriesters nemen allen deel aan dit conflict. Maar uiteindelijk is het niet de adel die voorop staat in deze oorlog.”
Ze dacht even na. “En dat heeft ook gevolgen voor hoe Marsilac reageert op de acties van Zepultoera. Het is nogal een verschil.”
Alex keek haar geïnteresseerd aan. “Hoe bedoel je dat?”
“Als de necropriesters een leger ondoden zou maken en die naar de grens zal sturen, of als de adel een leger van boeren stuurt... dat is nogal een verschil. Ik weet niet veel van oorlog voeren af, maar ik denk dat daar wel wezenlijk een verschil inzit of je tegen boeren of ondoden zou moeten vechten. Dat geld ook voor de Zepultoeraanse bevolking. Want uiteindelijk zijn het de burgers en boeren die de zwaarste klappen gaan krijgen.”

Buiten trof Marianne Polomeus. Hij zag er moe uit, en wreef even over zijn gezicht.
De zwarte gardist, Macall Brennan, benaderde hen tweeën. “Heerschap, vrouwe Marianne. Zou ik u even mogen spreken?”
Ze drentelden naar een tafeltje in de zon en namen plaats. “Wellicht dat vrouwe Marianne het u al verteld heeft; ik wilde graag eens spreken met de mensen die bij de baron op bezoek zijn geweest een tijdje geleden. Mijn naam is Macall Brennan, ik ben gardist in de persoonlijke garde van de baron.”
Terwijl Polomeus met de gardist praatte, lette Marianne op zijn gedrag. Brennan leek meer op zijn gemak deze ochtend, leek goed in zijn element te zijn. Een aantal keren sprak hij over de baron, een warme noot van loyaliteit in zijn stem.
Tijdens de loop van de ochtend begon ze hem steeds meer te vertrouwen, en net als Polomeus bracht Marianne de zwarte gardist op de hoogte van wat er onder de avonturiers speelde.

Met zijn vijven liepen ze het bos in. Hugo keek bezorgd in het rond of hij nog half-elven of luidruchtige boeren kon ontwaren, en Claudius week bijna niet van Marianne’s zijde.
Polomeus had een cirkel getrokken, met de bekende tekening van het Pantheon daar weer in. Goudkleurig zand bakende de vlakken af waaraan zij hoopten namen toe te kennen.
“We gaan een ritueel doen om meer inzicht in het pantheon te krijgen.” zei Polomeus. “Elk van ons zal iets geven, iets offeren. Iets wat je zelf op wilt geven. Laten we van tevoren afspreken dat dat wat we geven, genoeg is.”
Allen knikten ze. Eén voor één stapten ze de cirkel binnen. Hugo, Polomeus, Edith, Claudius, en als laatste, na lang nagedacht te hebben, ook Marianne. Haar staf en koffertje lagen buiten de cirkel, en ze draaide zich uiteindelijk naar Hugo toe, links van haar. “Hugo, zou ik een dolk van je mogen lenen?”
Hugo haalde een scherpe dolk uit de schede aan zijn riem en gaf hem voorzichtig aan. Marianne hield het in haar rechterhand, en boog haar hoofd. Haar blik was op de tekening gericht, haar gezicht gefronst.
Het was moeilijk geweest om iets te bedenken. Ze was bereid ver te gaan voor de goden, “tot het naadje”, zou Polomeus zeggen. Maar dit was niet een ritueel waarin leven of dood een plaats hadden. Het was moeilijk om een kleiner offer te bedenken, want ze wilde ook niet dat het offer te klein zou zijn.
Vijf mensen stonden in de cirkel. Gedachten flitsten door haar hoofd. Ze wist nu wat ze zou gaan offeren. Iets wat deel was van haar, iets wat Karnun sterk zou maken: haar verraad.
Eigenlijk was het wel passend om juist Hugo te verraden met zijn eigen dolk, zeker omdat hij een paladijn van Ranaa was.
Woorden van Polomeus echoden door haar hoofd. Dat zou te makkelijk zijn.
Nee, als ze iemand moest verraden, dan moest het ook voor háár pijnlijk zijn. Verraad was immers onlosmakelijk verbonden met pijn.
Ze begonnen.
Hugo sprak zijn woorden, maakte zijn offer, en een kaarsje verscheen. Een klein flakkerend lichtje in de buitenste cirkel.
Marianne ademde diep in, sprak haar woorden. Naderhand kon ze de woorden niet meer herinneren, alleen haar intentie. Ze stapte om Hugo heen, mikte met het mes op de borst van Polomeus.
Ze had altijd al pech gehad met messen.
Alsof een onzichtbare hand haar zachtjes opzij duwde, het mes zwaaide opzij. Niet in zijn borst, niet in zijn zij, het lemmet boorde zich diep in zijn arm. Het warme bloed liep over zijn mouw en Marianne trok de dolk terug, liet het vallen. Ze nam haar plaats weer in en ontweek de blikken van Hugo en de anderen.
Voorzichtig spiedde uit haar ooghoek naar Polomeus. Zijn gezicht was vertrokken van pijn, en gauw wendde ze haar ogen af, bekeek het pantheon, waar het kaarsje verplaatste, en een nieuw kaarsje verscheen in de binnenste ring.
Na afloop van het ritueel waren de kaarsjes al snel weer weg, en Edith boog zich over Polomeus’ arm, die Marianne vroeg of hij het mocht genezen. Claudius begon al snel aantekeningen te maken, waar de kaarsjes verschenen waren en hoe het geheel had rondgedraaid. Het was een puzzel waar hij zich met verve op stortte, en Marianne slenterde langzaam terug naar het klooster.

Lang had ze zich tegen het probleem van het wapen aanbemoeid, maar al snel begonnen steeds meer van de avonturiers zich ermee bezig te houden. Na een laatste gesprek met Macall Brennan trok Marianne zich terug. Andere knappe koppen waren ermee bezig, en zeker met het nieuws van Claudius dat hij de stem van Dinea gehoord had, was voor haar reden genoeg om een stap terug te doen.
Het was voor haar nu wel duidelijk: ze had zo lang om Claudius’ getwijfeld, maar als hij inderdaad de stem van Dinea hoorde, dan was er niets meer om aan te twijfelen. Hij zou een priester van Dinea worden. Hij was bij uitstek geschikt voor de taak die met het wapen samenhing, nu hij de stem van Dinea hoorde, en Marianne stapte graag terug in de schaduwen.
Er waren genoeg andere dingen om haar mee bezig te houden.

Polomeus stelde voor om te mediteren. Hij wilde haar graag helpen met hoe Norbert haar zag. Marianne vertelde dat ze hem een brief had gestuurd, maar dat ze maar hoopte dat dat genoeg zou helpen.
“Misschien kun je door meditatie meer te weten komen;” zei Polomeus; “al is het alleen maar om te zien wat hij van plan is.”
Na even nagedacht te hebben, stemde Marianne toe met een knik. Ze zochten een grasveldje vlakbij de bosrand op, en Polomeus trok een cirkel. Hij gebaarde dat ze kon gaan zitten, en toen hij ook zat pakte hij haar handen. Hij begeleidde haar meditatie met zachte stem.
Het was rustgevend.
Marianne vertelde hem over Orkenslacht, de zuidkant van de stad, en beschreef het weeshuis. De gevel, de tekst op het bord aan de muur, de karrenpoort die gesloten zat. Ze nam hem mee door de voordeur de hal in, hun voeten op de rode tegels in de hal, de houten trap naar boven en de kamers onder de trap. De grijze tegels van de keuken aan de zijkant van de hal.
Net toen Marianne de kamer onder de trap in wilde gaan, veranderde het beeld. Polomeus kreunde zacht, een kreun van pijn, wellicht?
Voor haar ogen veranderde het beeld. Ze zag een druipstenen grot, en juichende mensen. Ze waren in extase. Vervormde, grillige handen, niet menselijke-handen, grepen een van de mensen vast. Met een vloeiende beweging werd zijn keel doorgesneden, van oor tot oor. Het bloed spatte in het rond, en de mensen juichten nog harder. De monsterlijke handen grepen, scheurden, trokken het hoofd los van de romp.
Met een schok kwam Marianne terug in de echte wereld. Polomeus lag voor haar, kreunend van de pijn. Pas toen hij een tijdje later weer bijgekomen was, vertelde ze hem wat ze gezien had, maar ook hij kon het niet plaatsen.
Ook Macall Brennan en Edith lichtte ze in. Wellicht had het wat te maken met de boeren die zo’n bloedrode oogst hadden, die offers brachten? Marianne wist het niet, maar het was maar beter als ze op de hoogte waren.

Samen met Edith trok Marianne het bos in. Edith wilde wel eens met de druïde van Ishtra praten en Marianne vertelde haar dat ze eerder Alex met een groen geklede man het bos in had zien lopen. Er gingen al wel geruchten dat het een half-elf betrof, en Edith vond het interessant genoeg.
De druïde zat niet zo ver van het klooster af; ze had een hut van takken gebouwd en daar een magische barrière omheen opgetrokken. Tussen de takken van de hut door zag Marianne een gedaante zitten.
“Jullie mogen niet zomaar binnenkomen hoor.” sprak de druïde. Edith pleitte met haar, en werd uiteindelijk toegelaten. Ze onderhandelde met de druïde en de half-elf terwijl Marianne buiten de cirkel op haar staf leunde.
Na een lange tijd stond Edith weer buiten de cirkel, met een ultimatum. De half-elf was erg verontwaardigd dat er geoefend werd op ondoden met het nieuwe wapen, en eiste dat het klooster teruggegeven zou worden aan Ishtra. Pas als de mensen daaraan konden voldoen, zou hij na gaan denken of de half-elven zouden helpen met het bestrijden van het grotere gevaar: de Zwarte Graaf. Edith’s pleidooi had hem niet kunnen overtuigen.
“Laten we dit aan Brennan voorleggen.” stelde Marianne voor. “Hij kan een weloverwogener besluit maken. Misschien heeft de baron wel instructies gegeven.”
“Ja!” zei Edith verontwaardigd. “Je denkt toch niet dat ik zo’n besluit ga maken! Kom, we gaan naar Brennan toe.”
Brennan was het ook niet met de half-elf eens, en zuchtte diep. Ze waren vast niet de eersten die hem lastig kwamen vallen met dit soort moeilijke vragen.

Marianne spendeerde nog een goed deel van de middag aan het schrijven van een pachtovereenkomst voor vrouwe Liedewij, en sprokkelde wat hout voor de kachel. In de tuinen van het klooster zaten nog steeds de avonturiers, druk overleggend over het wapen. Af en toe zag ze losse stukken, dan werd er weer onderzoek gedaan. Ze hield zich er maar ver van.
In plaats daarvan, benaderde ze Hasse en Donald. Ze kende de twee nog niet zo lang, maar ze hadden wel een speciale band opgebouwd, en Marianne vroeg Hasse of ze iets voor haar kon doen. Hasse stemde in, en Marianne keek toe hoe de jonge vrouw bij de avonturiers in de buurt bleef.
Jonge vrouw. Hasse was misschien even oud als Marianne, maar het voelde anders. En ergens was Marianne heel trots op Hasse. Echter, toen Marianne plaats nam bij Edith en Claudius aan tafel, sprak Claudius haar streng toe en was Hasse al snel vergeten.
“Foei, Marianne.” zei Claudius. Hij volgde haar blik naar de ring, en hield zijn hand omhoog. “Dat is toch helemaal niet Karnun?”
Ze onderdrukte een vlaag van woede. “Oh?” reageerde ze bits. “Ik zie dat heel anders.”
Ze stond op, beledigd, en liep naar een tafeltje vlakbij de refter, schoof aan bij Edith en Lupo en Hasse. Edith had lang gepraat met Lupo, en hen toen alleen gelaten.

Ze had Hasse gewaarschuwd, en haar en Donald een drietal potions gegeven. “Jullie kunnen hier vast meer mee dan ik.” zei ze, en keek toe hoe Donald de drankjes tegen het licht hield en voorzichtig rook aan de inhoud. Het was goed geweest om iets met hen te delen, en ze zag blij hoe Hasse en Donald zich steeds hechter aan haar bonden.
Toen de avond begon te vallen, liep Marianne nog een keer de refter in. Er was geen levende ziel buiten de kokkin en haar familie. Marianne zag een grote kist op tafel staan, en liep erop af. In de kist zag ze een sjaaltje en wat kleine prullaria, en ze pakte een klein rinkelend iets. Ze had ook al sterk geurende wierook uit het klooster gevonden, en nu was er nog maar één iets wat miste.

Marianne liep naar de tafel waar Claudius zat, en boog zich over hem heen. Even schrok hij, maar al snel had ze zijn hand te pakken. Met een snelle beweging trok ze de ring van zijn pink.
“Dankjewel.” zei ze, en ze liep weg, een verbaasde Claudius achterlatend. Hasse en Donald stonden al te wachten aan de rand van het bos, en gedrieën liepen ze de de nacht in.

Een eindje van het pad vond Marianne een donker plekje, onder een aantal bomen. De zon was al onder en onder de bomen die vlak bij elkaar groeiden was het nog net even ietsje donkerder. Marianne legde haar staf neer, binnen handbereik, en rommelde in haar kistje naar de wierook die ze eerder die avond gestolen had. Met een lucifer stak ze hem aan, en stak het stokje in de bosgrond.
Hasse en Donald namen plaats en keken haar verwachtingsvol aan. Met een kort moment van onzekerheid -- ze bereidde nooit iets voor, voor haar gebeden -- keerde Marianne haar ogen naar de hemelen die steeds donkerder werden. Met heldere stem riep ze haar god aan, en bracht hem haar offers. Donald en Hasse volgden. Een fonkelende edelsteen, een goede handvol crets voegden zich bij de ring en de snuisterij.
Een gevoel van rust daalde neder. Marianne zag kort een visioen, waarin Hasse en Donald onder een warme mantel schuilden. Het was haar mantel, en ze glimlachte warm naar de twee voor haar.
Hasse sprak. “Wat betekent de spin?”
Marianne knipperde met haar ogen. Deze vraag had ze niet verwacht.
“De spin zit geduldig in zijn web, in het midden van alle draden. Hij wacht tot zijn prooi aan komt vliegen, en vangt hem met het web wat hij geduldig gesponnen heeft. Soms verstopt de spin zich in de schaduwen die rond het web hangen, op de takken waar het web aan hangt. Maar als het nodig is, is de spin zo weer terug in het midden van het web.”
Zowel Donald als Hasse keken haar geïnteresseerd aan. Het was een plausibele verklaring. Marianne had er nooit echt over nagedacht waarom ze juist deze staf gekocht had. De witte bol met de grote zwarte spin erop leek wel voor haar gemaakt te zijn, en toen ze het stevige hout had vastgepakt, leek het wel alsof de houtsnijder haar hand in gedachten had. Ze had geen moment getwijfeld en de staf gekocht.
En nu vroeg Hasse naar de spin. Misschien had zij ook wel een visioen gehad. Marianne twijfelde er niet aan. Deze twee waren speciaal.
Na een tijdje gepraat te hebben, laaide het gloeiende puntje van de wierook op in een vlam, die snel doofde. Het felle licht had hen even verblind, en toen haar ogen weer instelden op het duisternis, waren de ring, de edelsteen en de crets verdwenen.
Marianne klopte haar rok af, en ging staan. Voorzichtig liepen ze weer terug naar het klooster.

Edith glimlachte nerveus. Ze had samen met Marianne een plannetje gesmeed.
“Polomeus zonder lach... “ had Edith gezegd.
“Ik ben geen voorstander om iets terug te vragen wat hij zelf geofferd heeft aan Eleena;” zei Marianne; “Maar Karnun staat ook voor verandering, en Ishtra kan dingen laten groeien. Laten we het dan zo vragen.”
Zo gezegd, zo gedaan. Marianne pakte een flesje met ritueel zand uit haar koffertje, en schoof het in de schaduwen onder een tafel. Het was nu goed donker, en de andere avonturiers waren heel druk met het wapen. Ze zochten het grasveldje weer op. Edith pakte een lange tak uit het bos, en leunde er quasi-nonchalant op. Ze glimlachte nerveus naar Marianne.
Polomeus stond met zijn hoofd gebogen, afwachtend. Hij had ingestemd met het ritueel, maar Marianne had het idee dat zijn hart er niet in lag, alsof hij het deed om hen te plezieren.
Ze had goed naar Polomeus geluisterd, als hij weer eens een ritueel deed. Ze strooide het zand in een cirkel om hun drieën heen. “Ik sluit deze rituele cirkel.” zei ze.
“Karnun. Ik vraag of u naar mij wilt luisteren. Deze man, u wel bekend, heeft vandaag iets opgegeven zodat hij het Pantheon mocht aanschouwen. Ik vraag u nu om verandering. Ik zou graag zien dat hij weer wilde lachen. Ik geef u mijn krachten.”
Ze voelde hoe de magische energie afnam in haar. Marianne draaide haar hoofd naar Edith. Met een blos op haar wangen naam Edith het over. Ze riep Ishtra aan, uitvoerig. Edith pleitte met haar godin, paaide haar met mooie woorden. “Ik vind, dat het niet goed is als Polomeus niet meer zou kunnen lachen. Zou willen lachen. Ishtra, ik vraag u dan ook om het terug te geven!”
Marianne trok een grimas. Teruggeven? Dat was niet aan Ishtra. Te laten groeien, dat wel.
Edith gaf ook haar krachten, en op dat moment kondigde een helse hoofdpijn zich aan. Marianne ademde scherp in, hield haar hoofd in haar handen. Ook Edith leek getroffen, ze hoorde nog net dat ook zij overmand werd door pijn. Het kostte moeite, maar ze bracht haar staf naar de cirkel, met een gebaar alsof ze een ruit wilde breken, en opende de cirkel voor de pijn alles verblindde.
Marianne raakte de grond, haar hoofd in haar handen houdend, de pijn was verblindend en intens.
Ze deed het enige wat haar altijd veilig had gehouden. Ze trok haar capuchon over haar hoofd, en legde haar hoofd in intense duisternis op haar armen.
Hoe lang ze zo zat, wist ze niet. Bezorgde stemmen klonken buiten haar wereldje van pijn, uiteindelijk trok de pijn langzaam weg.
“Eleena hoor mij, laat mij de pijn van deze twee vrouwen die voor mij lijden overnemen. Zij speelden een hoog spel. Nu speel ik het spel.”
Pas toen de pijn wegtrok kon Marianne zich herinneren wat Polomeus gezegd had. Zijn stem raspte, de kreten van pijn die aan zijn lippen ontsnapten waren hels.
Marianne klom uit haar duistere schuilplaats, langzaam zakte de kap naar achteren. Polomeus was inmiddels aan het bekvechten met iets...iets wat hem pijnigde. Ze wilde hem helpen, wilde zijn pijn verzachten, maar ze kon amper bewegen. De herinnering was te scherp.
Polomeus riep iets.
Hij speelde het hoogste spel.
“Kom maar op!”

Marianne realiseerde zich met een schok dat heel veel mensen zich verzameld hadden om hun cirkel heen. Er gilde iemand. Marianne kon het amper bevatten wat er buiten de cirkel gebeurde, ze staarde als gehypnotiseerd naar Polomeus.
Hij schreeuwde niet meer. In plaats van zijn gezicht, vertrokken van de pijn, stond daar nu een demon. Een verachtelijk gezicht boven zijn vertrouwde kleding.
“Nee!” Marianne gilde, en krabbelde omhoog, struikelend over haar jurk. De demon opende de cirkel en sprak kort met Claudius. Hij was het dichtste bij geweest, en was bij de cirkel komen kijken. Claudius liep rustig weg, gevolgd door de demon. Met kalme stem droeg de demon nog een ander op om een offer te zoeken.
“Ik eis te weten wat hier gebeurt!” gilde Ellenora boven alles uit. “Jullie doen hier maar rituelen, en nu is het ook ons probleem!”
Marianne negeerde haar, liep achter de demon aan. Nee, niet een demon, iets wat Polomeus overgenomen had. Ze wist al precies hoe iedereen ging reageren. Ze zouden hun wapens pakken en hem aan mootjes hakken, zonder te kijken wie of wat het was.
Gelukkig had Edith hetzelfde idee. Ze snelde met Marianne mee. “Niet slaan! Niet slaan! Het is Polomeus!” gilde ze hees.
Marianne probeerde ook mensen over te halen niet hun zwaarden te trekken, maar ze wist ook wel dat het nutteloos was. Ze bleef achter de demon, waar hij haar niet kon zien, en keek in afgrijzen toe wat hij met de avonturiers deed.
Bij de ingang van de ziekenzaal stond hij dan eindelijk stil. Misschien had iemand een spreuk gebruikt -- ze wist het niet. Marianne sprong ertussen. Alex stond al klaar met een kleine, vlijmscherpe dolk. Het soort wat eenvoudig tussen iemands ribben glijdt; het soort wat een moordenaar zou gebruiken.
Ze legde haar hand erop. En toen Alex niet reageerde, duwde ze de dolk weg. Het lemmet sneed haar hand moeiteloos open.
Ze had altijd al problemen met dolken.
Het werd zwart voor haar ogen.

Toen ze bijkwam, lag ze in de refter, bij het haardvuur. Ze keek verwilderd om zich een en sprong op uit de comfortabele stoel waar ze in gelegd was. Toen ze naar buiten snelde, leek ze wel in de hel beland te zijn.
Polomeus, nog steeds onder invloed van de demon, stond weer verstijfd, een stukje verderop. Drie man stond op hem in te hakken met zwaarden. Edith stond hartverscheurend te huilen.
Marianne vloog Edith om de hals, wilde het tafereel niet zien. Het geluid van de zwaarden die het lichaam raakten klonk in haar oren.
Edith deed niets om haar te troosten; de priesteres van Ishtra was op het randje van hysterie.
Marianne liet haar los, draaide zich weer om. Verstijfd, bloedend, de stukken hingen ervanaf. De zwaarden flitsten in het licht van de bijna-volle maan. Ze wilde het niet zien.
Ze wilde getuige zijn van hoe hij bruut vermoord zou worden.
Ze wist niet meer wat ze wilde.
Uiteindelijk viel het lichaam om. De krijgers die hun zwaarden hadden getrokken, leunden erop, helemaal buiten adem.
Edith sprong bijna direct op het lichaam van Polomeus. Het verschrikkelijke gezicht was verdwenen, de demon weg. Zijn gezicht was bijna vredig, ondanks de spetters bloed die rondgevlogen hadden. Het was het enige stukje van zijn lichaam wat niet aan stukken gesneden was.
Marianne voelde de tranen niet eens over haar wangen stromen. Ze had wild in haar koffertje gezocht en haar laatste potion gepakt. Ze worstelde met de dop, haar handen nat van het zweet en de tranen, glipten steeds weer weg. Eindelijk lukte het haar en goot ze de sterke genezingsdrank tussen zijn lippen.
Het leek niets te helpen.
Anderen bogen zich over het lichaam heen. Hugo murmerde spreuken, zijn handen voorzichtig op de wonden leggend. Edith had zich ook over Polomeus heengeworpen, haar laatste spreuken, haar laatste krachten, in hem gestopt.
Het leek niets te helpen.
Ten einde raad keek Marianne om zich heen. Waar ze de dolk vond, wist ze niet, maar het was Polomeus’ dolk.
Om haar heen woelden mensen. Genezers, paladijnen, priesters die hun best deden de genezing daar te geven waar hij het hardste nodig was. Mensen, mensen overal om haar heen. De nacht zong en gonste met hun gewoel.
Marianne keek omhoog, naar de maan boven haar, de bijna-volle maan die alle zonden zou verlichten.
“Karnun, hoor mij!!” schreeuwde ze, terwijl ze de dolk over haar linkerpols trok en haar aderen opende.

Alex had achter haar gestaan. In een flits legde hij zijn hand over haar pols heen. Hij riep om Jinni, maar Jinni stribbelde tegen. “Weet je zeker dat ze het niet nog een keer doet?” vroeg de priesteres van de blauwe maan.
Alex spoorde haar aan, het bloed sijpelde tussen zijn vingers door. Marianne was huilend tegen hem aangezakt, ze had de kracht er niet meer voor. Snikkend hoorde ze hoe Jinni een Knit Wound spreuk gebruikte om de wond te dichten.
Alex spoorde Jinni aan.
“Nee!” gilde Marianne. “Genees hem, genees hem! Niet mij!”
Jinni was onvermurwbaar en prevelde nog een spreuk en de wond genas van binnenuit.

Aurelia boog zich over het lichaam van Polomeus hen, en reikte iets aan Marianne. In een reflex pakte Marianne het aan. Ze herkende de steen direct, een diepe rode kleur die maar één ding kon betekenen.
“Vind een priesteres van Shelindra die een resurrection speuk kan doen.” zei Aurelia op dringende toon. Ondanks het gewoel van mensen om hen heen kon Marianne haar perfect verstaan. “Je hebt één dag.”
Edith, die naast haar zat, sprong direct omhoog. Marianne krabbelde overeind, en pakte haar koffertje en staf. Edith leek nog steeds wel in paniek.
“Okay, okay, we moeten gaan. We gaan nu. Waar gaan we heen? Weet jij waar ze zitten? Waar moeten we heen?”
“Orkenslacht.” fluisterde Marianne.
“Dat is twee dagen reizen, dat redden we nooit.”
Samen renden ze het pad af, het bos in. Half-elven of niet, ze waren onderweg. Lupo rende trouw achter hen aan, en ook Claudius voegde zich bij hen.
“Claudius, wat doe je?” vroeg Marianne.
“Ik blijf bij je.” zei Claudius.
“Doe niet zo raar.” zei Marianne. “Jij bent veel belangrijker. Jij moet grote dingen doen. Je bent nodig bij het wapen. Jij bent nodig voor Dinea. Ga terug.”
De toon van verslagenheid in haar stem, de tranen op haar wangen. Wat hem overhaalde wist ze niet, maar Claudius bleef staan terwijl zij voortrenden. Lupo was niet zo makkelijk overgehaald.
“Ik blijf bij jullie.” zei hij.

Aan de andere kant van het bos vonden ze een hoeve. Marianne wilde eerst een paard stelen, maar Edith wilde er niets van horen. “Nou, dat duurt echt geen twee minuten. Kom op.”
Ze had gelijk, binnen korte tijd werd de knol opgetuigd, en legde Edith vier diam in de handen van de boer. Een fortuin, maar ze hadden geen keuze.
Marianne klom met behulp van het hek op de rug van het beest en trok haar rokken recht. Haar koffertje, met daarin de zielensteen met Polomeus’ ziel, hield ze strak tegen zich aan.
Edith klom achter haar. In een draf vertrokken ze, richting Rifthorn, in de hoop een van de priesteressen van de Blauwe Maan tegen te komen.
Edith wisselde af met Lupo, om de beurt renden ze mee naast het paard. Het arme beest had zijn hele leven waarschijnlijk niets anders gedaan dan voor de ploeg lopen, en hij had het zwaar met twee volwassenen op zijn rug. De maan klom verder, en begon langzaam weer richting de horizon te dalen toen ze een hoeve zagen met lichtjes.
Na lang aandringen werd de deur voor hen geopend, een klein kiertje. Een bange vrouwenstem vroeg wie daar was.
Toen de deur eindelijk helemaal openging, herkenden ze direct de tatoeage op het voorhoofd van de vrouw: een priesteres van de Blauwe Maan.
Edith deed het verhaal, happend naar adem en zichzelf geen rust gunnende. De priesteressen waren inmiddels allemaal wakker, ruw opgeschrokken uit hun slaap.
Door puur geluk waren ze deze hoeve tegengekomen, en de priesteressen vertelden dat het een toevluchtsoord was voor de Blauwe Maan, omdat hun tempel was aangevallen door half-elven.
Maar ze konden helaas niet helpen. Geen van hen was de spreuk die ze zochten machtig.

Marianne boog haar hoofd, en durfde niet naar Edith te kijken. Lupo haalde luidruchtig zijn neus op.
“Heeft u dan niets wat kan helpen?” vroeg Edith.
Een van de priesteressen keek ineens blij op. “Ik heb nog een scroll!”
Uiteindelijk kostte het nog vijftig cret om de scroll te kopen. Marianne legde geld bij, en Edith betaalde de rest. De priesteressen zaten verlegen om eten, en konden het geld vast goed gebruiken.
Zonder nog langer te willen wachten, klommen ze weer op het paard. De scroll had Marianne voorzichtig in haar boekje geklemd, en ze gingen weer op pad.
Het arme paard had nog geen half uurtje rust gehad, en de reis terug viel hem zwaar. Het was alsof hij de stal waar hij al die jaren in had gestaan al rook; vlakbij de rand van het bos nabij Vlimmen weigerde het paard nog verder te lopen. Met een laatste treurige blik legde hij zich neer langs de weg, en stierf met de ochtendzon een handspan boven de horizon.
Edith keek heel even onthutst naar het arme dier. “Ishtra vergeef me.” prevelde ze.
Niet veel verder, een stukje verderop in het bos, vloog een pijl over het pad. De pijl boorde zich diep in Edith’s zij, en ze kermde van de pijn.
“Geen tijd!” wimpelde ze Lupo af. “En geen genezing, ook! We moeten doorgaan.”

Het bos werd lichter, in de verte liepen mensen. Ze kwamen op hen afrennen. Marianne herkende Aladin, met zijn grote schild van Ordeus. Hij liep naast haar. “Het is niet zo ver meer.” zei Aladin bemoedigend. “Je bent er bijna, nog een klein stukje.”
Edith rende voor haar, af en toe omkijkend of Marianne nog wel volgde. Ze renden de binnenplaats van het klooster op, tussen de avonturiers door. Hugo rende met hen mee, en nog wel anderen. Marianne negeerde hen.
“Waar is Polomeus!?” riep Edith.
“Binnen, hij ligt binnen.” Hugo liep met hen mee.
Toen ze zijn lichaam zag liggen op een tafel, met een laken over hem heen, welden tranen op in Marianne’s ogen. Ze leunde op een van de harde houten stoelen, probeerde weer op adem te komen. Edith werd verzorgd, de pijl verwijderd en de wonde verzorgd.
“Heb je de steen?” Aurelia drong aan. Marianne boog over haar koffertje. Ze viste haar geldbuidel tevoorschijn en pakte de bloedrode steen. Aurelia griste hem bijna uit haar vingers.
Edith had verteld over de scroll, en de mensen om haar heen begonnen aan te dringen. Marianne pakte haar boekje, haalde de scroll eruit, en liet hem zien.
Aurelia’s hand ging naar de scroll, maar Marianne bewoog haar hand zo dat ze hem niet af kon pakken. Ze wilde niet dat Aurelia ermee aan de haal ging. Ze wist hoe Polomeus over haar dacht, en die gedachte echoode nu door haar hoofd.
Marianne boog zich over de scroll. De anderen spoorden haar aan. “Doe het nu.”
“Shhht.” Marianne las de tekst. Ze was zo moe, en ze wilde echt geen fouten maken. Het werd stil.
Aurelia’s hand hield de zielensteen vast, legde hem op het voorhoofd van Polomeus. Eigenlijk had Marianne geen idee wat ze nu moest doen, maar ze vermoedde dat ze de steen aan moest raken, net als Polomeus. Ze wurmde haar vingers tussen die van Aurelia, zodat ze samen de zielensteen bij zijn lichaam hielden.
Ze las de scroll hardop voor.
Even leek er niets te gebeuren, behalve dat de scroll uit elkaar viel. Het was stil, iedereen wachtte af. Misschien was er wel een zweempje magie in de lucht, maar Marianne richtte zich maar op één ding.
In zijn eerste ademtocht, kwam er een enorme snurk uit Polomeus.

Edith begon direct weer te huilen en de wereld om Marianne heen leek weer adem te halen. Aurelia stopte voorzichtig de zielensteen weg.
Marianne legde haar gezicht in haar handen en zuchtte diep.
Sommige mensen gingen weer naar buiten, nu de sensatie voorbij was. Hugo sprak even kort met Polomeus. Het leek wel een eeuwigheid te duren.
Edith had er genoeg van. Ze liep naar hen toe en viel Polomeus huilend om de hals. Marianne veegde ook een traan weg. Ze liet hen maar even begaan.
Polomeus kwam ook even naar haar toe, en toen ze zag dat alles goed met hem was, liep Marianne naar de grote stoel bij de haard. Ze trok haar mantel om zich heen, en staarde nietsziend voor zich uit.

“Ik ben bang dat er iets stuk is.” fluisterde Polomeus. Marianne bleef voor zich uit staren. Ze dronk de thee en als iemand maar lang genoeg tegen haar praatte, dan keek ze misschien hem wel aan. Polomeus had aan haar voeten gezeten, de wacht houdend terwijl ze sliep.
Ze was zo moe.
Mensen leken wel, juist nu ze haar rust nodig had, Polomeus te willen spreken. Steeds werd Marianne wakker gemaakt door hun gesprekken, en uiteindelijk gingen Edith en Marianne naar buiten. Marianne spreidde haar mantel op het gras naast de ziekenzaal, en legde haar hoofd op het koffertje.
“Dat arme paard;” zuchtte Edith. Begrijpelijk, dat het haar zo raakte. “Maar we hebben het wel gered.”
Marianne keek Edith even aan, en staarde toen weer recht vooruit. Ze was weer even in slaap gesukkeld, en toen ze weer wakker werd lag er naast haar hoofd een witte bloem.
Ze negeerde de bloesem, ging rechtop zitten. De mensen die aan het praten waren keken even verward, en gingen toen verder met hun gesprek. Uiteindelijk lieten ze hun weer alleen.
Edith was alweer opgestaan, en Polomeus had haar plek ingenomen. Hij vroeg of alles wel goed ging. “Je bent niet alleen moe;” zei hij stellig; “er is nog meer aan de hand.”
Marianne dacht diep na. “We zijn erg geschrokken.”
Polomeus leek even uit het veld geslagen te zijn. Hij keek naar de avonturiers die bezig waren met de ziekenzaal, hoe ze heen en weer liepen, hoe voor hen andere dingen veel belangrijker waren.
Marianne legde haar hoofd op zijn bovenbeen, en probeerde nog wat te slapen.

Aan het einde van de ochtend haalde Macall Brennan iedereen bij elkaar. Ze moesten weg, en snel ook. De necropriesters waren dood, de arme mensen die hun ziel hadden gegeven om een beschermend amulet te maken, op één na ook. Donald en Elran zouden de laatste meedragen terwijl ze een uitweg zochten. Naar het noorden zouden ze moeten, ondanks de dreiging van de half-elven in het bos.
Marianne had haar staf stevig vast, en Polomeus week niet van haar of Edith’s zijde. Toen een pijl uit de bosjes zoefde en zich door haar rok in haar been boorde, legde hij snel zijn hand op haar om genezing en bescherming te bieden. Toen halfelven uit de bossen kwamen rennen, hield ze haar staf, met de spin bovenop, tussen hen en haar in. Hun zwaarden misten haar, als bij een wonder.

Hasse was gewond, Donald ook, de zielloze man op de brancard werd bruut door halfelven vermoord, en zo ook Daniël, de boodschapper die bij de baron op audiëntie was geweest, en de dwerg Dughan. Achter elke boom leek een elf te zitten, en het bos was gevaarlijker dan ooit.
Na een lang gevecht, waarin de barones Liedewij schreeuwde als een feeks, en Lupo die gekozen had bij de druïde van Ishtra te blijven uitgemaakt was voor verrader; na een lange tocht stonden ze aan de rand van het bos, de glooiende velden voor hen.

Date: 2011-04-21 09:31 pm (UTC)
From: [identity profile] polomeus.livejournal.com
Mooi relaas.
Fijn dat ik nu meer meekrijg over de periode dat ik mijn ogen dicht had :-)

Profile

janestarz: (Default)
janestarz

April 2026

S M T W T F S
    1234
5 678 910 11
12 1314 15 161718
19202122232425
2627282930  

Tags

Style Credit

Expand Cut Tags

No cut tags
Page generated Apr. 17th, 2026 06:37 pm
Powered by Dreamwidth Studios