Weerklank 2
Sep. 4th, 2023 10:27 pmDe vrijdagavond trapte af met regen, veel regen, maar ik ben van mening dat larpers als honeybadgers zijn: they just don't give a fuck. Geef me een goed kostuum aan en waterdichte kisten en ik sta in de stromende regen spel te maken. Zo ook de vrijdagavond van Weerklank. Ik leende mijn bruine wollen mantel uit aan Elise en vroeg haar personage Prisma mee om aan de rand van het dorp de nieuwe spelers op te wachten. Super meta-gamen, maar ook wel IC uit te leggen omdat er uit het Duister in het verleden nog wel eens Duisterlingen kwamen, dus het is niet raar om als jager bij de rand van het dorp te staan keuvelen terwijl je 'op wacht' staat. Mijn schapenvacht hield me ook prima droog en met een gebreide muts op mijn hoofd viel het me erg mee hoe nat ik van de regen werd.
Ik vertelde Prisma over mijn Sacha, en het drama waarom ik niet naar huis kon, en ze leefde met me mee en stelde me gerust. "Wellicht komt er ooit een dag dat je weer bij hem kan zijn. Dat kan vast."
In het Duister hoorde ik geluiden. Het klonk als een grotere groep. En jawel, zeker tien, vijftien mensen kwamen de nacht inlopen.
"Wie is daar?" vroeg een man die voorop liep. Hij was gekleed als een Foranees, met een geruite hoofddoek en lange gewaden. Voorzichtig kwamen hij en zijn vrouw, en de rest van de groep naar onze lantaarntjes gelopen. Hij stelde zich voor als Rashmardibu en we begeleidden ze naar Taveerne de Blauwe Lantaarn, waar het veilig was.
"Oh Ksenja," vroeg Baarent, "Kan je me helpen? Als je morgen gaat jagen, wil je dan eens op zoek gaan naar een heel mooi, groot hert of iets dergelijks? Ik ben op zoek naar een gepast cadeau."
Ik knikte en pakte een stoel erbij. "Wat zoek je precies voor cadeau?"
"Het is voor een huwelijk van mijn handelspartner. Ik wilde een bijzonder geschenk sturen om de betrekkingen te verbeteren." Baarent dacht even na. "Het is voor Boris eh... Wilhelmsvuist?"
Het voelde alsof de grond onder mijn voeten wegzakte. "Boris Wilhemshaamer Stamvaader?" vroeg ik zachtjes.
"Ja, inderdaad!" Baarent knipte met zijn vingers. "Boris Wilhelmshaamer. Zijn oudste zoon gaat trouwen en ik wilde hem een cadeau sturen." Hij zag de blik op mijn gezicht. "...um, ken je hem?"
"De oudste zoon van Boris Wilhelmshaamer Stamvaader, dat is Sacha Boriszoon. Dat is mijn man." reageerde ik.
Mijn hart klopte in mijn keel, en mijn handpalmen voelden nat aan. Sacha ging trouwen? Sacha had een tweede vrouw gevonden?
In den Vereenighden Stammen der Scharheve was het heel gebruikelijk dat mannen met meerdere vrouwen zouden trouwen, en ik had altijd verwacht dat ik niet Sacha's enige vrouw zou blijven. Ik had echter wel verwacht dat ik erbij kon zijn als Sacha nog een vrouw zou nemen. En nu was ik hier, in dit dorp omringd door duisteris en was er geen enkele kans dat ik terug zou kunnen keren naar mijn Sacha om bij hem te zijn.
Ik zocht Hannes op, en deelde mijn leed met hem.
"Kom, we gaan even een boom omhakken." zei Hannes.
"Nu? Het is hartstikke donker. Heb je zoveel werk?" vroeg ik nog.
Hannes klapte me op de schouder. "Nee, maar je ziet eruit alsof je wat agressie kwijt moet."
Hij drukte me een bijl in de handen en legde uit wat ik moest doen. Eerst een paar slagen aan de ene kant, dan een wig erin slaan, en dan aan de andere kant meer slagen. Net zolang tot het begon te kraken, want dat was het moment dat de boom bijna om zou vallen.
Ik stelde me op aan de kant die het dichtst bij de taveerne was.
"Doe maar net alsof deze boom je schoonvader is." zei Hannes.
Ik haalde het gezicht van Boris voor de geest en een golf woede en verdriet overspoelde me. Ik zwaaide met de bijl, en het metaal beet diep in de schors van de boom. Ik schreeuwde hard om mijn slag kracht bij te zetten.
Hannes deed een stapje naar achteren, en ik haalde nog eens uit. Het gevoel van de bijl die zich diep begroef in de boombast trilde door in mijn armen en mijn hele lijf. Ik weet niet precies wanneer ik begon te schelden en tieren. Mogelijk nadat de wig in de boom was gezet, en ik aan de andere kant verder kon gaan.
Ik foeterde en schold op de boom, ik raasde alsof ik tegenover Boris stond, mijn schoonvader, en hem eindelijk eens goed de waarheid zou kunnen zeggen. Af en toe hapte ik naar adem en liep ik terug naar de wig. Ik trapte tegen de boomstam en wilde dat het Boris was die ik raakte. Toen de boom nog geen sjoege gaf voedde het mijn woede alleen nog maar meer.
Uiteindelijk was daar het gekraak. Hannes en Baarent stapten naar achteren en ik ging ook aan de kant. Met een enorm gekraak stortte de boom ter aarde.
Hannes pakte de bijl en sloeg zijn arm om me heen. "Lucht dat een beetje op?"
We gingen weer naar binnen, en ik pakte een fles drank. Ik schonk een bodempje in voor Hannes en voor mezelf, en maakte een ronde door de Blauwe Lantaarn, de (alcoholvrije) whisky delend met wie maar wilde. Meerdere dorpelingen accepteerden, en vroegen of alles goed ging. Ik probeerde uit te leggen dat mijn man ging trouwen, dat dat helemaal niet onverwacht was, maar dat het zo pijn deed dat ik er niet bij kon zijn. De meesten knikten met een verwarde blik op hun gezicht. Andere landen, andere gebruiken. Herm Dyo vertelde dat seks bij hun cultuur met iedereen heel losbandig was. Ik vertelde hem van de gebruiken van den Vereenighden Stammen der Scharheve, hoe één man meerdere vrouwen kon hebben en meestal ook had. Dat ik Sacha's eerste vrouw was geweest, maar nu niet bij hem kon zijn.
Ik deelde mijn verdriet ook met Iisrael, die me aanraadde een brief te schrijven. Hij was er erg streng over, en zei dat hij elke dag me zou vragen hoe het ervoor stond en wat ik ging doen. Ik wist niet zo goed wat ik hem moest vertellen, dus ik knikte maar.
Ook waren er Duisterlingen die een vrouw wilden offeren. Ze werden uit elkaar gedreven maar één van hun slachtoffers was al gevallen. Nadat de Duisterlingen neergeslagen waren, vroeg iemand of ik nog een gebed over het slachtoffer wilde zeggen. Ze hadden gehoord dat in het geloof van Wilhelm er een godin was die over het Einde van Dingen ging, dus wellicht kon ik die aanroepen.
Ik voldeed aan het verzoek, en improviseerde een gebed aan Theresia. Het was onsamenhangend, maar ik denk dat het wel de juiste noot raakte.
Aan het einde van de avond zocht ik Hannes weer op. Hij zat te kaarten met een aantal lieden. Ik had inmiddels nog veel meer gedronken en begon overmoedig te worden.
"Hannes!" zei ik met dubbele tong. "Laaten we Jezebel eeren."
Hannes legde zijn kaarten neer. Hij begeleidde me naar mijn bed, stopte me in, en gaf me nog net geen kus op mijn voorhoofd om me welterusten te wensen.
Zaterdag
Ik werd wakker met (IC) hoofdpijn en begon mijn dag met een dubbele boterham en een diep schuldgevoel. Ik had Hannes proberen te verleiden en een beroep gedaan op zijn geloof. Niet alleen dat: ik had een beroep gedaan op een paladijn van Jezebel (godin van liefde, passie en seks) om mijn huwelijksgelofte te breken. En hij had me netjes in mijn bed gestopt.
Ik bood mijn oprechte verontschuldigingen aan. Ik schaamde me diep.
Een handelaar kwam het dorp inlopen. Zijn karavaan was aangevallen en hij hoopte dat we hem konden helpen om te zoeken naar de overlevenden. Een klein groepje, waaronder ook Amanda en ikzelf, gingen met hem mee.
We vonden al snel de huifkar die omgevallen was, en ik zag dat een deel van de lading was gemarkeerd met "voor Tybor Schoonewortal", een van de Scharhaevenaren. Ik pakte de goederen op en stopte ze in mijn pijlenkoker.
We zochten nog verder, of er overlevenden waren, maar we vonden alleen sporen. Er waren ook grote klauwsporen, markeringen van grote klauwen op een boom, nog boven mijn hoofd. De sporen stonden ook ver genoeg uit elkaar dat het een groot beest zou zijn. Ik was blij dat het niet meer in de buurt was. We gingen snel terug naar de Blauwe Lantaarn en ik gaf Tybor zijn spullen.
Al snel werd er weer een beroep op mij gedaan. Er zou een mijn in de buurt zijn en ze wilden daar een kijkje gaan nemen. Ik liep wel mee, en leidde de groep door de schemer en het duister om veilig bij de mijn te komen.
De ingang van de mijn stond op instorten, en Hannes oordeelde dat deze ingang nog zeer recent gebouwd was. Het was dus niet een geval van 'oud, staat al jaren, valt vast niet in elkaar'. De Straenk, Agnaerr gooide zelfs een aantal rotsen er tegenaan om aan te tonen dat het een bouwval was. Meerdere dorpelingen spraken met de mijnwerkers, en uiteindelijk kwamen ze naar buiten om met ons te praten. Ze leken niet heel geïnteresseerd te zijn in handel, maar toen de ingang van de mijn uiteindelijk instortte, zagen ze toch wel het nut in van een kleine wandeling naar onze taveerne om een kom soep te eten.
Een aantal vluchtelingen kwamen het dorp in rennen. De twee mannen en een vrouw waren ontzettend angstig. Duisterlingen en volgelingen van Raven hadden hun dorp bezocht en begonnen mensen te offeren. De vrouw van één van hen was nog daar en we moesten haast maken.
Ik zocht snel een aantal sterke lieden bij elkaar en met deze groep gingen we op pad. We hadden meerdere schilden bij ons, en best een boel krijgers. Mijn gedachten waren nog steeds bij Sacha, en ik wist maar al te goed hoe pijnlijk het was om gescheiden te zijn van je wederhelft.
Een groep krijgers had een aantal dorpelingen bij elkaar gezet en één van hen liep dreigend met een mes op een vrouw af, terwijl de rest zich opstelde om tegen ons te vechten.
Het gevecht was bloederig en zwaar. Ik wist één man in zijn hand te schieten zodat hij zijn zwaard liet vallen, maar hij pakte het direct weer op (sufkut). De krijgers hadden ook schilden en alhoewel wij goed samen werkten werd onze linie uit elkaar geslagen. Ik probeerde de ritualist neer te schieten die de vrouw wilde gaan offeren maar mijn pijl miste. Daarmee was ik echter te ver naar voren gelopen en de rest van mijn dorpelingen waren een paar passen naar achteren gegaan, waardoor ik alleen stond tussen de bandieten. Ik probeerde weg te komen, maar een man met een groot zwaard en zwarte tekens op zijn gezicht sloeg mijn benen onder me vandaan. Ik rolde over mijn pijlenkoker en kermde van de pijn, en hij liet me daar liggen.
Ik probeerde overeind te krabbelen, maar voordat ik dat kon doen kwam een andere duisterling op me af. Ik trok mijn dolk en hield die voor mijn hoofd, hopende dat ik zijn zwaardslag kon opvangen of weg kon draaien. Ik smeekte "Nee, nee, nee...."
Zijn zwaard knalde in mijn zij en daarna liep hij weer weg. Ik hapte naar adem, en alles deed zeer.
Niet lang daarna was het voorbij. Ino kwam om me op te rapen en achter de schilden te brengen. Hij legde me bij Khaki neer. Arme Khaki was gevallen, en zou nooit meer opstaan. Riet zat hartverscheurend over zijn lichaam te huilen.
De laatste duisterling maakte gekscherend een buiging naar onze groep. "We zullen elkaar vast binnenkort nog wel eens zien." Met die belofte draaide hij zich om en rende hij de duisternis in.
Carrick was zo zwaar gewond dat Riet als de wiedeweerga aan de slag moest om een tourniquet aan te leggen. Ik krabbelde voorzichtig overeind. Mijn pantser was zwaar beschadigd en ik zat onder de snijwonden, maar alleen mijn ribbenkast leek echt beschadigd te zijn. Het voelde als een gekneusde rib, en toen ik een stok had gevonden om het been van Carrick te stabiliseren en terug wilde rennen naar Riet, hapte ik naar adem. Inademen deed zeer en rennen was echt geen optie meer. Ik moest het even rustig aan doen.
We gingen voorzichtig weer terug naar onze eigen nederzetting. Ik wierp nog een laatste blik achterom. De dorpeling die zijn vrouw kwijt was geweest, was ook gestorven. Ik vond zijn lichaam naast het hare, hand in hand. Beiden hadden het gevecht niet overleefd.
Eenmaal terug in het dorp ging ik op zoek naar de vrouw die eerder mijn pantser had gerepareerd, maar ik kon haar nergens vinden. Niemand leek in staat te zijn om mijn pantser te repareren. Tegen etenstijd losde de spelleiding dit op door te zeggen: 'tsja, er is vast wel iemand in het tentenkamp die dit kan. Als je mij 2 konijnen (IC geld) geeft, dan is je pantser weer heel.'
Omdat ik het toch rustig aan moest doen om mijn beurse lijf een kans te geven te herstellen, regelde ik een stuk papier en een potlood en begon ik aan een brief naar Sacha. Prisma schoof bij me aan en hielp me met de juiste woorden vinden, en ik schreef deze op geheel Scharhaevenaarse wijze op:
Lieve Sacha,
Gij zijt het licht van mijneen hart ende ziel. Tot mijnen grooten verdriet ende schaamte zijn het reeds maanen ende jaaren sedert wij elkander hebben mogen aanschouwen en uw sterke armen mij hebben vastgehouden. Weest gerust ende gesterkt in den weetenschap dat den liefde van mijnen kant niet is verminderd of afgenoomen is. Er is ietsch welke mij belet ende verhinderdt weder huischwaerts te keren ende terug te reizen. Mijnen wroeging ende spijt zijnende vergroot door mijn onvermogen ende onmacht deezen omstandigheeden ongedaan te maaken of naader toe te lichten in eenen geschreven boodschap welke nu in uwen handen bevindt. Edoch, weet dat dit niets afdoet aan mijn devotie ende liefde voor uwen persoon.
Hier is dan ook den rheeden ende aanleiding dat ik u schrijf. Er isch mij naamelijk ter ooren gekomen via eenen betrouwbaare en welbespraakte bron dat u voornemens bent weederom te huwen. Daar ik niet in den geleeghenheid ben kennis te nemen van de identiteit van uw aanstaande ende verloofde kan ik slechts den wens uiten dat zij u liefde ende steun kan bieden waar dit mij door den omstandigheeden onmogelijk is gemaakt. Het betreurt mij ten zeerste ende stemt bij droevig dat ik niet bij den plechtigheid aanwezig kan zijn. Moge Wilhelm ende Juliana over jullie vereeniging eenen zeegening uitspreken ende hun handen spreiden om u te behoeden van kwade invloeden. Het is mijnen diepste wensch dat ik haar ende jullie kinderen ende nazaten mag ontmoeten op eenen moment in onzer verschiet. Ik geloof dat het vaaderschap eenen betrekking is wat u sieren zou. De gedachte dat ik dit niet zelf aanschouwen zal raakt mij diep.
Ik mis de warmte en zorgzaamheid in uw gelaat. Mijn dagen zijn leegh ende betekenisloos omdat wij niet saamen kunnende zijn. In het Duister ende de nacht brengt de gedachte aan u mij eenen gevoel van veiligheid.
Op afstand in den geneeghenheid verbonden,
Ksenja Jaager
Iisrael wilde 12 Eindproduct Erts hebben om zijn postduif erop uit te sturen, en zo rijk was ik niet. Gelukkig vond ik Zuza die ook een vogel had en die stuurde ze erop uit met mijn brief. Ze wilde er in de toekomst wel mijn hulp voor hebben als wederdienst, dus die beloofde ik haar graag.
Voor het avondeten nam ik Amanda mee het bos in om haar voor te stellen aan het blauwe vogeltje wat mij meermaals begeleid had op mijn tochten het Duister in. De vogel had me gevraagd of er nog meer lieden waren die sterk waren, en of ik die aan haar voor kon stellen, en ik moest gelijk aan Amanda denken. We gingen samen het bos in om te jagen, en ik vertelde haar van mijn plan.
Het blauwe vogeltje verscheen in een boom boven het pad en sprak kort met Amanda. Ze wilde ons graag om hulp vragen om later die avond iets voor haar te doen. We stemden in met het verzoek en na het avondeten verzamelden we aan de rand van de nederzetting. Prisma stelde me voor aan Hazel, wat ze de avond daarvoor al had willen doen, maar Hazel was geshockeerd geweest door mijn houthakkerstherapie. Nu gingen we op pad. Ino ging ook mee, en Luna en nog een aantal anderen, die allen het blauwe vogeltje hadden gezien en gesproken.
De vogel verscheen voor ons en vroeg ons elkaars handen vast te houden. Toen we een kring gemaakt hadden, verscheen er een vogelnestje om ons heen, en met nestje en al stegen we op. We vlogen! Boven de wolken gingen we, naar een andere plek. Daar lag een lijst van een hele gemene man, en we moesten de lijst stelen.
Er stonden twee figuren bij de lijst, en we spraken af dat Amanda de lijst zou stelen, en Luna, Ino en ik ons best zouden doen om de figuren bij haar weg te houden. We slopen dichterbij, maar de personen leken ons niet te horen of zien. Ik stond er vlak achter een, en hij gaf geen sjoege. Het leken wel geen levende wezens te zijn.
Toen Amanda de lijst pakte, sprongen ze in beweging, en het werd een gevecht. We deden goed ons best, en na een paar minuten lagen de twee wezens op de grond. Amanda was weer terug bij de blauwe vogel. En toen bewogen de wezens weer. Ze stonden weer op en begonnen weer op Amanda af te lopen. Ik probeerde één van hen te treiteren zodat hij achter mij aan zou gaan, maar het mocht niet baten.
"Ze zullen achter de lijst aan blijven gaan." zei Prisma. "Misschien moeten we de lijst kopiëren."
Ze groef snel naar een potlood en papier, en vouwde een brief open die ze toevallig op zak had. Op de achterkant begon ze snel te schrijven.
De rest van ons sloegen de wezens weer neer. "Zou het helpen als we ze gewoon op de grond houden?" vroeg de schildknaap van Gijsbrecht. Hij pakte de rechterhand van het wezen, en ik zette mijn knie op de linkerpols van het wezen. Na enkele seconden begon er weer leven in het ding te komen. Hij begon met zijn hand te bewegen, en in zijn linkerhand had hij een dolkje, wat nu over mijn hand kraste. Bloed druppelde over zijn arm.
"Doe dat eens even niet." gromde ik, terwijl ik mijn geleende zwaard over zijn pols legde en de dolk immobiliseerde.
De schildknaap had de andere arm prima onder controle, en het wezen ging geen kant op.
Toen Prisma de lijst had gekopiëeerd telden we af tot drie, en lieten we het wezen los. Het krabbelde omhoog, pakte de lijst, en bracht het samen met zijn compaan terug naar de tafel waar het had gelegen. De blauwe vogel liet ons de handen weer vasthouden, en in het nestje transporteerde ze ons terug naar ons eigen dorp.
Nu was mijn pantser wederom stuk. De wezens waren sterk geweest en mijn ribben waren nog beurs van de slagen van die middag. Ik besloot niet weer de sippe spelleidersoptie te nemen, want daar zou ik geen spel mee hebben. In plaats daarvan stelde ik me pontificaal op bij de tafel van vrouwe Corcra, de expeditieleider. Ik gooide mijn pantser op tafel en beschuldigde hem/haar van contractbreuk.
Corcra nam dat heel hoog op. Hij/zij sprong op van de stoel en stond briesend voor me. "Ik wens zo niet toegsproken te worden. Hoe durf je me hiervan te beschuldigen?"
"U geeft mij mandaat om de expeditie te beveiligen, maar vervolgens is er geen leerlooier in de expeditie om mijn pantser te repareren. Hierdoor ben ik niet in staat om deze taak uit te voeren." wierp ik terug.
Corcra keek verward. "Hoezo is er geen leerlooier? Ik zou toch gezworen hebben dat er een leerlooier was."
Hij/zij keek naar zijn scribent. "Is er wellicht een reservepantser wat Ksenja kan gebruiken voor zo lang?"
Daar stond ik dan, in een geleend pantser wat net niet zo lekker over mijn ribben paste als het pantser wat mijn ouders voor mij gemaakt hadden. Uit de duisternis kwam een groep figuren met zwarte schilderingen. De dorpelingen die naast mij stonden trokken zich terug richting de Blauwe Lantaarn, waar licht uit de ramen stroomde en we beter zouden kunnen zien hoe en wat.
Ik week af van hun route en stelde mezelf tussen de bomen op. Achter de groep duisterlingen zag ik een heel groot beest wat ik al eens eerder had gezien een paar maanden geleden. Het torende boven iedereen uit en had grote lange klauwen waar ik de sporen waarschijnlijk die ochtend nog in het bos had gezien. Het voerde een vrouw met zich mee, zijn klauwen om haar arm gesloten. De vrouw schreeuwde luid.
Terwijl de Duisterlingen met de andere dorpelingen gingen knokken, wachtte ik mijn kans af. Toen het grote beest afgeleid leek te zijn, sprong ik uit de bosjes en begon ik op hem in te slaan met mijn dolk. Het leek echt helemaal niets te doen. Hij liet de vrouw los, die in elkaar zakte, en begon mijn kant op te lopen. Ik probeerde hem te ontwijken, maar de grote klauwen krasten over het pantser wat ik van Corcra had geleend. Maar goed dat ik dat had geregeld dus...
Het gevecht was heel verwarrend, ook omdat het zo donker was. Ik kon amper zien wie de dorpelingen en wie de Duisterlingen waren. Tot overmaat van ramp ontnam één van de Duisterlingen mij mijn zicht. Ik stond verstijfd, midden tussen vijanden en vrienden. Wederom was het Ino die mij ten hulp schoot. Hij kondigde aan dat hij het was voor hij me vastpakte en begeleidde mij richting te Blauwe Lantaarn. Gelukkig zakte de blindheid na een tijdje weer weg.
Het grote monster had zijn offer alsnog gedaan, recht voor de Blauwe Lantaarn waar een raar gedenkteken stond. Met het offer voltooid, vertrokken de Duisterlingen weer. Het monster was niet eens gewond.
Ik bracht met hangende pootjes het geleende pantser terug naar Corcra. Hij/zij verwees me naar Riet, die naast wol blijkbaar ook met leer kon werken, dus daar leverde ik het geleende pantser en mijn eigen pantser in voor reparatie.
Ik hielp ook Baarent, want Amanda was met een ander naar bed gegaan. Zij kwam uit een andere cultuur en hij is Scharhaevenaar, dus daar was een duidelijk verschil van mening. Ik sprak met Baarent en daarna met Amanda, en blijkbaar konden ze daarna ook weer met elkaar praten.
Ik zocht Iisrael ook op, en vertelde dat ik inderdaad een brief had geschreven zoals hij al had gewild. Hij vroeg wat erin stond, en ik vatte het kort voor hem samen.
Iisrael haalde uit en sloeg met een vlakke hand in mijn gezicht. "Nnniet goed. Waarom ddddoe je dat?"
Ik was te verbouwereerd om te reageren, maar ik nam me voor om me niet nog een keer door Iisrael te laten slaan. Ik had inmiddels gehoord dat hij een Splitter was en een Ingenie, dus van de hogere kaste van Split. Hij had ook laten vallen dat hij ook getrouwd was met een vrouw, maar dat de liefde van zijn leven een man was. Dat kon ik me niet zo goed voorstellen. In de Vereenighden Stammen der Scharheve was liefde tussen twee mannen een taboe, maar het gebeurde wel. Om er zo openlijk over te spreken was maar raar.
Het gedenkteken voor de Blauwe Lantaarn bleek de sterfplaats van een engel te zijn. Iisrael vertelde mij erover en dat de engel in kwestie Leonardo heette, en moedigde me aan om een verhaaltje te vertellen. De engel was daar gestorven, maar we konden nog steeds met hem praten en hij was eenzaam.
Ik had even zitten drinken in met Gijsbrecht in de bar, toen een bard met een groep Foraneze soldaten naar binnen kwam. Hij zong het lied "Even in Scharheven" en ik had de tranen in mijn ogen staan.
Dat prachtige lied, dat moest Leonardo horen!
Ik vroeg de bard het lied nogmaals te spelen, maar dan buiten, waar Leonardo het kon horen.
Nadat de bard klaar was met spelen, hoorde ik een stem. Was dat Leonardo?
De stem vertelde dat hij een Verwervende was, en dat zijn zielenbroeder een Maakende was. Dat die verbondenheid tussen hen dieper ging dan welke andere band dan ook.
Zondag
Die nacht droomde ik van de Goden van de Vereenighden Stammen der Scharheve. Ik liep door een tempel, achter een vrouw aan. Het was Johanna, en zij droeg een pantser. Ze kwam in de kamer waar een grote lange tafel stond. En aan beide kanten van die tafel zat Wilhelm: aan de ene kant de Maakende, en aan de andere kant de Verwervende. Johanna wilde hem iets laten zien op de kaart, maar Wilhelm wuifde haar weg. Johanna boog haar hoofd en stapte naar achteren. Ze stond bij de muur, waar een groot wandkleed hing. Van achter het prachtige wandkleed kwam een hand. Het was duidelijk een hand van een Verwervende. Er zaten zaagsel en houtkrullen op de hand, en de hand hield een dolk vast. De hand met de dolk stak de dolk naar beneden, zo in Johanna haar rug. Johanna viel, en het wandkleed viel over haar heen.
De vrouwen en dochters van Wilhelm renden de kamer uit, en de beide helften van Wilhelm ook.
Toen Hij terugkwam in de kamer, was het lichaam van Johanna weg. In plaats daarvan stond Theresia daar.
Ik droomde ook van de blauwe vogel. Ze kwam met de lijst naar onze dromen, want ik zag daar de anderen die met mij haar geholpen hadden de lijst te stelen. Nu konden we de lijst nog eens goed bekijken. Er stonden veel namen op, en ik herkende er maar een paar. Prisma's naam stond op de lijst, en die van Carrick ook. Er was ook een Van Ravendrecht, maar het was niet Vrouwe Corcra of Vrouwe Eola. De vogel vertelde dat de Moordenaar die lijst had gemaakt, en ik vroeg me stilletjes af of dat dezelfde Moordenaar was die Johanna had vermoord.
Na het ontbijt zocht ik Hannes op. Als paladijn van Jezebel wilde ik het nieuws met hem delen dat ik gedroomd had over Wilhelm.
"Misschien is dit wel Wilhelm's manier om je te laten weten dat je paladijn van Hem moet worden." zei Hannes.
Na ons gesprek ging ik nog wat boogschieten. Ik hoopte goed warm te zijn voor de eindbuts - maar die bleef uit.
En zo kwam er aan Weerklank 2 een einde!
Ik vertelde Prisma over mijn Sacha, en het drama waarom ik niet naar huis kon, en ze leefde met me mee en stelde me gerust. "Wellicht komt er ooit een dag dat je weer bij hem kan zijn. Dat kan vast."
In het Duister hoorde ik geluiden. Het klonk als een grotere groep. En jawel, zeker tien, vijftien mensen kwamen de nacht inlopen.
"Wie is daar?" vroeg een man die voorop liep. Hij was gekleed als een Foranees, met een geruite hoofddoek en lange gewaden. Voorzichtig kwamen hij en zijn vrouw, en de rest van de groep naar onze lantaarntjes gelopen. Hij stelde zich voor als Rashmardibu en we begeleidden ze naar Taveerne de Blauwe Lantaarn, waar het veilig was.
"Oh Ksenja," vroeg Baarent, "Kan je me helpen? Als je morgen gaat jagen, wil je dan eens op zoek gaan naar een heel mooi, groot hert of iets dergelijks? Ik ben op zoek naar een gepast cadeau."
Ik knikte en pakte een stoel erbij. "Wat zoek je precies voor cadeau?"
"Het is voor een huwelijk van mijn handelspartner. Ik wilde een bijzonder geschenk sturen om de betrekkingen te verbeteren." Baarent dacht even na. "Het is voor Boris eh... Wilhelmsvuist?"
Het voelde alsof de grond onder mijn voeten wegzakte. "Boris Wilhemshaamer Stamvaader?" vroeg ik zachtjes.
"Ja, inderdaad!" Baarent knipte met zijn vingers. "Boris Wilhelmshaamer. Zijn oudste zoon gaat trouwen en ik wilde hem een cadeau sturen." Hij zag de blik op mijn gezicht. "...um, ken je hem?"
"De oudste zoon van Boris Wilhelmshaamer Stamvaader, dat is Sacha Boriszoon. Dat is mijn man." reageerde ik.
Mijn hart klopte in mijn keel, en mijn handpalmen voelden nat aan. Sacha ging trouwen? Sacha had een tweede vrouw gevonden?
In den Vereenighden Stammen der Scharheve was het heel gebruikelijk dat mannen met meerdere vrouwen zouden trouwen, en ik had altijd verwacht dat ik niet Sacha's enige vrouw zou blijven. Ik had echter wel verwacht dat ik erbij kon zijn als Sacha nog een vrouw zou nemen. En nu was ik hier, in dit dorp omringd door duisteris en was er geen enkele kans dat ik terug zou kunnen keren naar mijn Sacha om bij hem te zijn.
Ik zocht Hannes op, en deelde mijn leed met hem.
"Kom, we gaan even een boom omhakken." zei Hannes.
"Nu? Het is hartstikke donker. Heb je zoveel werk?" vroeg ik nog.
Hannes klapte me op de schouder. "Nee, maar je ziet eruit alsof je wat agressie kwijt moet."
Hij drukte me een bijl in de handen en legde uit wat ik moest doen. Eerst een paar slagen aan de ene kant, dan een wig erin slaan, en dan aan de andere kant meer slagen. Net zolang tot het begon te kraken, want dat was het moment dat de boom bijna om zou vallen.
Ik stelde me op aan de kant die het dichtst bij de taveerne was.
"Doe maar net alsof deze boom je schoonvader is." zei Hannes.
Ik haalde het gezicht van Boris voor de geest en een golf woede en verdriet overspoelde me. Ik zwaaide met de bijl, en het metaal beet diep in de schors van de boom. Ik schreeuwde hard om mijn slag kracht bij te zetten.
Hannes deed een stapje naar achteren, en ik haalde nog eens uit. Het gevoel van de bijl die zich diep begroef in de boombast trilde door in mijn armen en mijn hele lijf. Ik weet niet precies wanneer ik begon te schelden en tieren. Mogelijk nadat de wig in de boom was gezet, en ik aan de andere kant verder kon gaan.
Ik foeterde en schold op de boom, ik raasde alsof ik tegenover Boris stond, mijn schoonvader, en hem eindelijk eens goed de waarheid zou kunnen zeggen. Af en toe hapte ik naar adem en liep ik terug naar de wig. Ik trapte tegen de boomstam en wilde dat het Boris was die ik raakte. Toen de boom nog geen sjoege gaf voedde het mijn woede alleen nog maar meer.
Uiteindelijk was daar het gekraak. Hannes en Baarent stapten naar achteren en ik ging ook aan de kant. Met een enorm gekraak stortte de boom ter aarde.
Hannes pakte de bijl en sloeg zijn arm om me heen. "Lucht dat een beetje op?"
We gingen weer naar binnen, en ik pakte een fles drank. Ik schonk een bodempje in voor Hannes en voor mezelf, en maakte een ronde door de Blauwe Lantaarn, de (alcoholvrije) whisky delend met wie maar wilde. Meerdere dorpelingen accepteerden, en vroegen of alles goed ging. Ik probeerde uit te leggen dat mijn man ging trouwen, dat dat helemaal niet onverwacht was, maar dat het zo pijn deed dat ik er niet bij kon zijn. De meesten knikten met een verwarde blik op hun gezicht. Andere landen, andere gebruiken. Herm Dyo vertelde dat seks bij hun cultuur met iedereen heel losbandig was. Ik vertelde hem van de gebruiken van den Vereenighden Stammen der Scharheve, hoe één man meerdere vrouwen kon hebben en meestal ook had. Dat ik Sacha's eerste vrouw was geweest, maar nu niet bij hem kon zijn.
Ik deelde mijn verdriet ook met Iisrael, die me aanraadde een brief te schrijven. Hij was er erg streng over, en zei dat hij elke dag me zou vragen hoe het ervoor stond en wat ik ging doen. Ik wist niet zo goed wat ik hem moest vertellen, dus ik knikte maar.
Ook waren er Duisterlingen die een vrouw wilden offeren. Ze werden uit elkaar gedreven maar één van hun slachtoffers was al gevallen. Nadat de Duisterlingen neergeslagen waren, vroeg iemand of ik nog een gebed over het slachtoffer wilde zeggen. Ze hadden gehoord dat in het geloof van Wilhelm er een godin was die over het Einde van Dingen ging, dus wellicht kon ik die aanroepen.
Ik voldeed aan het verzoek, en improviseerde een gebed aan Theresia. Het was onsamenhangend, maar ik denk dat het wel de juiste noot raakte.
Aan het einde van de avond zocht ik Hannes weer op. Hij zat te kaarten met een aantal lieden. Ik had inmiddels nog veel meer gedronken en begon overmoedig te worden.
"Hannes!" zei ik met dubbele tong. "Laaten we Jezebel eeren."
Hannes legde zijn kaarten neer. Hij begeleidde me naar mijn bed, stopte me in, en gaf me nog net geen kus op mijn voorhoofd om me welterusten te wensen.
Zaterdag
Ik werd wakker met (IC) hoofdpijn en begon mijn dag met een dubbele boterham en een diep schuldgevoel. Ik had Hannes proberen te verleiden en een beroep gedaan op zijn geloof. Niet alleen dat: ik had een beroep gedaan op een paladijn van Jezebel (godin van liefde, passie en seks) om mijn huwelijksgelofte te breken. En hij had me netjes in mijn bed gestopt.
Ik bood mijn oprechte verontschuldigingen aan. Ik schaamde me diep.
Een handelaar kwam het dorp inlopen. Zijn karavaan was aangevallen en hij hoopte dat we hem konden helpen om te zoeken naar de overlevenden. Een klein groepje, waaronder ook Amanda en ikzelf, gingen met hem mee.
We vonden al snel de huifkar die omgevallen was, en ik zag dat een deel van de lading was gemarkeerd met "voor Tybor Schoonewortal", een van de Scharhaevenaren. Ik pakte de goederen op en stopte ze in mijn pijlenkoker.
We zochten nog verder, of er overlevenden waren, maar we vonden alleen sporen. Er waren ook grote klauwsporen, markeringen van grote klauwen op een boom, nog boven mijn hoofd. De sporen stonden ook ver genoeg uit elkaar dat het een groot beest zou zijn. Ik was blij dat het niet meer in de buurt was. We gingen snel terug naar de Blauwe Lantaarn en ik gaf Tybor zijn spullen.
Al snel werd er weer een beroep op mij gedaan. Er zou een mijn in de buurt zijn en ze wilden daar een kijkje gaan nemen. Ik liep wel mee, en leidde de groep door de schemer en het duister om veilig bij de mijn te komen.
De ingang van de mijn stond op instorten, en Hannes oordeelde dat deze ingang nog zeer recent gebouwd was. Het was dus niet een geval van 'oud, staat al jaren, valt vast niet in elkaar'. De Straenk, Agnaerr gooide zelfs een aantal rotsen er tegenaan om aan te tonen dat het een bouwval was. Meerdere dorpelingen spraken met de mijnwerkers, en uiteindelijk kwamen ze naar buiten om met ons te praten. Ze leken niet heel geïnteresseerd te zijn in handel, maar toen de ingang van de mijn uiteindelijk instortte, zagen ze toch wel het nut in van een kleine wandeling naar onze taveerne om een kom soep te eten.
Een aantal vluchtelingen kwamen het dorp in rennen. De twee mannen en een vrouw waren ontzettend angstig. Duisterlingen en volgelingen van Raven hadden hun dorp bezocht en begonnen mensen te offeren. De vrouw van één van hen was nog daar en we moesten haast maken.
Ik zocht snel een aantal sterke lieden bij elkaar en met deze groep gingen we op pad. We hadden meerdere schilden bij ons, en best een boel krijgers. Mijn gedachten waren nog steeds bij Sacha, en ik wist maar al te goed hoe pijnlijk het was om gescheiden te zijn van je wederhelft.
Een groep krijgers had een aantal dorpelingen bij elkaar gezet en één van hen liep dreigend met een mes op een vrouw af, terwijl de rest zich opstelde om tegen ons te vechten.
Het gevecht was bloederig en zwaar. Ik wist één man in zijn hand te schieten zodat hij zijn zwaard liet vallen, maar hij pakte het direct weer op (sufkut). De krijgers hadden ook schilden en alhoewel wij goed samen werkten werd onze linie uit elkaar geslagen. Ik probeerde de ritualist neer te schieten die de vrouw wilde gaan offeren maar mijn pijl miste. Daarmee was ik echter te ver naar voren gelopen en de rest van mijn dorpelingen waren een paar passen naar achteren gegaan, waardoor ik alleen stond tussen de bandieten. Ik probeerde weg te komen, maar een man met een groot zwaard en zwarte tekens op zijn gezicht sloeg mijn benen onder me vandaan. Ik rolde over mijn pijlenkoker en kermde van de pijn, en hij liet me daar liggen.
Ik probeerde overeind te krabbelen, maar voordat ik dat kon doen kwam een andere duisterling op me af. Ik trok mijn dolk en hield die voor mijn hoofd, hopende dat ik zijn zwaardslag kon opvangen of weg kon draaien. Ik smeekte "Nee, nee, nee...."
Zijn zwaard knalde in mijn zij en daarna liep hij weer weg. Ik hapte naar adem, en alles deed zeer.
Niet lang daarna was het voorbij. Ino kwam om me op te rapen en achter de schilden te brengen. Hij legde me bij Khaki neer. Arme Khaki was gevallen, en zou nooit meer opstaan. Riet zat hartverscheurend over zijn lichaam te huilen.
De laatste duisterling maakte gekscherend een buiging naar onze groep. "We zullen elkaar vast binnenkort nog wel eens zien." Met die belofte draaide hij zich om en rende hij de duisternis in.
Carrick was zo zwaar gewond dat Riet als de wiedeweerga aan de slag moest om een tourniquet aan te leggen. Ik krabbelde voorzichtig overeind. Mijn pantser was zwaar beschadigd en ik zat onder de snijwonden, maar alleen mijn ribbenkast leek echt beschadigd te zijn. Het voelde als een gekneusde rib, en toen ik een stok had gevonden om het been van Carrick te stabiliseren en terug wilde rennen naar Riet, hapte ik naar adem. Inademen deed zeer en rennen was echt geen optie meer. Ik moest het even rustig aan doen.
We gingen voorzichtig weer terug naar onze eigen nederzetting. Ik wierp nog een laatste blik achterom. De dorpeling die zijn vrouw kwijt was geweest, was ook gestorven. Ik vond zijn lichaam naast het hare, hand in hand. Beiden hadden het gevecht niet overleefd.
Eenmaal terug in het dorp ging ik op zoek naar de vrouw die eerder mijn pantser had gerepareerd, maar ik kon haar nergens vinden. Niemand leek in staat te zijn om mijn pantser te repareren. Tegen etenstijd losde de spelleiding dit op door te zeggen: 'tsja, er is vast wel iemand in het tentenkamp die dit kan. Als je mij 2 konijnen (IC geld) geeft, dan is je pantser weer heel.'
Omdat ik het toch rustig aan moest doen om mijn beurse lijf een kans te geven te herstellen, regelde ik een stuk papier en een potlood en begon ik aan een brief naar Sacha. Prisma schoof bij me aan en hielp me met de juiste woorden vinden, en ik schreef deze op geheel Scharhaevenaarse wijze op:
Lieve Sacha,
Gij zijt het licht van mijneen hart ende ziel. Tot mijnen grooten verdriet ende schaamte zijn het reeds maanen ende jaaren sedert wij elkander hebben mogen aanschouwen en uw sterke armen mij hebben vastgehouden. Weest gerust ende gesterkt in den weetenschap dat den liefde van mijnen kant niet is verminderd of afgenoomen is. Er is ietsch welke mij belet ende verhinderdt weder huischwaerts te keren ende terug te reizen. Mijnen wroeging ende spijt zijnende vergroot door mijn onvermogen ende onmacht deezen omstandigheeden ongedaan te maaken of naader toe te lichten in eenen geschreven boodschap welke nu in uwen handen bevindt. Edoch, weet dat dit niets afdoet aan mijn devotie ende liefde voor uwen persoon.
Hier is dan ook den rheeden ende aanleiding dat ik u schrijf. Er isch mij naamelijk ter ooren gekomen via eenen betrouwbaare en welbespraakte bron dat u voornemens bent weederom te huwen. Daar ik niet in den geleeghenheid ben kennis te nemen van de identiteit van uw aanstaande ende verloofde kan ik slechts den wens uiten dat zij u liefde ende steun kan bieden waar dit mij door den omstandigheeden onmogelijk is gemaakt. Het betreurt mij ten zeerste ende stemt bij droevig dat ik niet bij den plechtigheid aanwezig kan zijn. Moge Wilhelm ende Juliana over jullie vereeniging eenen zeegening uitspreken ende hun handen spreiden om u te behoeden van kwade invloeden. Het is mijnen diepste wensch dat ik haar ende jullie kinderen ende nazaten mag ontmoeten op eenen moment in onzer verschiet. Ik geloof dat het vaaderschap eenen betrekking is wat u sieren zou. De gedachte dat ik dit niet zelf aanschouwen zal raakt mij diep.
Ik mis de warmte en zorgzaamheid in uw gelaat. Mijn dagen zijn leegh ende betekenisloos omdat wij niet saamen kunnende zijn. In het Duister ende de nacht brengt de gedachte aan u mij eenen gevoel van veiligheid.
Op afstand in den geneeghenheid verbonden,
Ksenja Jaager
Iisrael wilde 12 Eindproduct Erts hebben om zijn postduif erop uit te sturen, en zo rijk was ik niet. Gelukkig vond ik Zuza die ook een vogel had en die stuurde ze erop uit met mijn brief. Ze wilde er in de toekomst wel mijn hulp voor hebben als wederdienst, dus die beloofde ik haar graag.
Voor het avondeten nam ik Amanda mee het bos in om haar voor te stellen aan het blauwe vogeltje wat mij meermaals begeleid had op mijn tochten het Duister in. De vogel had me gevraagd of er nog meer lieden waren die sterk waren, en of ik die aan haar voor kon stellen, en ik moest gelijk aan Amanda denken. We gingen samen het bos in om te jagen, en ik vertelde haar van mijn plan.
Het blauwe vogeltje verscheen in een boom boven het pad en sprak kort met Amanda. Ze wilde ons graag om hulp vragen om later die avond iets voor haar te doen. We stemden in met het verzoek en na het avondeten verzamelden we aan de rand van de nederzetting. Prisma stelde me voor aan Hazel, wat ze de avond daarvoor al had willen doen, maar Hazel was geshockeerd geweest door mijn houthakkerstherapie. Nu gingen we op pad. Ino ging ook mee, en Luna en nog een aantal anderen, die allen het blauwe vogeltje hadden gezien en gesproken.
De vogel verscheen voor ons en vroeg ons elkaars handen vast te houden. Toen we een kring gemaakt hadden, verscheen er een vogelnestje om ons heen, en met nestje en al stegen we op. We vlogen! Boven de wolken gingen we, naar een andere plek. Daar lag een lijst van een hele gemene man, en we moesten de lijst stelen.
Er stonden twee figuren bij de lijst, en we spraken af dat Amanda de lijst zou stelen, en Luna, Ino en ik ons best zouden doen om de figuren bij haar weg te houden. We slopen dichterbij, maar de personen leken ons niet te horen of zien. Ik stond er vlak achter een, en hij gaf geen sjoege. Het leken wel geen levende wezens te zijn.
Toen Amanda de lijst pakte, sprongen ze in beweging, en het werd een gevecht. We deden goed ons best, en na een paar minuten lagen de twee wezens op de grond. Amanda was weer terug bij de blauwe vogel. En toen bewogen de wezens weer. Ze stonden weer op en begonnen weer op Amanda af te lopen. Ik probeerde één van hen te treiteren zodat hij achter mij aan zou gaan, maar het mocht niet baten.
"Ze zullen achter de lijst aan blijven gaan." zei Prisma. "Misschien moeten we de lijst kopiëren."
Ze groef snel naar een potlood en papier, en vouwde een brief open die ze toevallig op zak had. Op de achterkant begon ze snel te schrijven.
De rest van ons sloegen de wezens weer neer. "Zou het helpen als we ze gewoon op de grond houden?" vroeg de schildknaap van Gijsbrecht. Hij pakte de rechterhand van het wezen, en ik zette mijn knie op de linkerpols van het wezen. Na enkele seconden begon er weer leven in het ding te komen. Hij begon met zijn hand te bewegen, en in zijn linkerhand had hij een dolkje, wat nu over mijn hand kraste. Bloed druppelde over zijn arm.
"Doe dat eens even niet." gromde ik, terwijl ik mijn geleende zwaard over zijn pols legde en de dolk immobiliseerde.
De schildknaap had de andere arm prima onder controle, en het wezen ging geen kant op.
Toen Prisma de lijst had gekopiëeerd telden we af tot drie, en lieten we het wezen los. Het krabbelde omhoog, pakte de lijst, en bracht het samen met zijn compaan terug naar de tafel waar het had gelegen. De blauwe vogel liet ons de handen weer vasthouden, en in het nestje transporteerde ze ons terug naar ons eigen dorp.
Nu was mijn pantser wederom stuk. De wezens waren sterk geweest en mijn ribben waren nog beurs van de slagen van die middag. Ik besloot niet weer de sippe spelleidersoptie te nemen, want daar zou ik geen spel mee hebben. In plaats daarvan stelde ik me pontificaal op bij de tafel van vrouwe Corcra, de expeditieleider. Ik gooide mijn pantser op tafel en beschuldigde hem/haar van contractbreuk.
Corcra nam dat heel hoog op. Hij/zij sprong op van de stoel en stond briesend voor me. "Ik wens zo niet toegsproken te worden. Hoe durf je me hiervan te beschuldigen?"
"U geeft mij mandaat om de expeditie te beveiligen, maar vervolgens is er geen leerlooier in de expeditie om mijn pantser te repareren. Hierdoor ben ik niet in staat om deze taak uit te voeren." wierp ik terug.
Corcra keek verward. "Hoezo is er geen leerlooier? Ik zou toch gezworen hebben dat er een leerlooier was."
Hij/zij keek naar zijn scribent. "Is er wellicht een reservepantser wat Ksenja kan gebruiken voor zo lang?"
Daar stond ik dan, in een geleend pantser wat net niet zo lekker over mijn ribben paste als het pantser wat mijn ouders voor mij gemaakt hadden. Uit de duisternis kwam een groep figuren met zwarte schilderingen. De dorpelingen die naast mij stonden trokken zich terug richting de Blauwe Lantaarn, waar licht uit de ramen stroomde en we beter zouden kunnen zien hoe en wat.
Ik week af van hun route en stelde mezelf tussen de bomen op. Achter de groep duisterlingen zag ik een heel groot beest wat ik al eens eerder had gezien een paar maanden geleden. Het torende boven iedereen uit en had grote lange klauwen waar ik de sporen waarschijnlijk die ochtend nog in het bos had gezien. Het voerde een vrouw met zich mee, zijn klauwen om haar arm gesloten. De vrouw schreeuwde luid.
Terwijl de Duisterlingen met de andere dorpelingen gingen knokken, wachtte ik mijn kans af. Toen het grote beest afgeleid leek te zijn, sprong ik uit de bosjes en begon ik op hem in te slaan met mijn dolk. Het leek echt helemaal niets te doen. Hij liet de vrouw los, die in elkaar zakte, en begon mijn kant op te lopen. Ik probeerde hem te ontwijken, maar de grote klauwen krasten over het pantser wat ik van Corcra had geleend. Maar goed dat ik dat had geregeld dus...
Het gevecht was heel verwarrend, ook omdat het zo donker was. Ik kon amper zien wie de dorpelingen en wie de Duisterlingen waren. Tot overmaat van ramp ontnam één van de Duisterlingen mij mijn zicht. Ik stond verstijfd, midden tussen vijanden en vrienden. Wederom was het Ino die mij ten hulp schoot. Hij kondigde aan dat hij het was voor hij me vastpakte en begeleidde mij richting te Blauwe Lantaarn. Gelukkig zakte de blindheid na een tijdje weer weg.
Het grote monster had zijn offer alsnog gedaan, recht voor de Blauwe Lantaarn waar een raar gedenkteken stond. Met het offer voltooid, vertrokken de Duisterlingen weer. Het monster was niet eens gewond.
Ik bracht met hangende pootjes het geleende pantser terug naar Corcra. Hij/zij verwees me naar Riet, die naast wol blijkbaar ook met leer kon werken, dus daar leverde ik het geleende pantser en mijn eigen pantser in voor reparatie.
Ik hielp ook Baarent, want Amanda was met een ander naar bed gegaan. Zij kwam uit een andere cultuur en hij is Scharhaevenaar, dus daar was een duidelijk verschil van mening. Ik sprak met Baarent en daarna met Amanda, en blijkbaar konden ze daarna ook weer met elkaar praten.
Ik zocht Iisrael ook op, en vertelde dat ik inderdaad een brief had geschreven zoals hij al had gewild. Hij vroeg wat erin stond, en ik vatte het kort voor hem samen.
Iisrael haalde uit en sloeg met een vlakke hand in mijn gezicht. "Nnniet goed. Waarom ddddoe je dat?"
Ik was te verbouwereerd om te reageren, maar ik nam me voor om me niet nog een keer door Iisrael te laten slaan. Ik had inmiddels gehoord dat hij een Splitter was en een Ingenie, dus van de hogere kaste van Split. Hij had ook laten vallen dat hij ook getrouwd was met een vrouw, maar dat de liefde van zijn leven een man was. Dat kon ik me niet zo goed voorstellen. In de Vereenighden Stammen der Scharheve was liefde tussen twee mannen een taboe, maar het gebeurde wel. Om er zo openlijk over te spreken was maar raar.
Het gedenkteken voor de Blauwe Lantaarn bleek de sterfplaats van een engel te zijn. Iisrael vertelde mij erover en dat de engel in kwestie Leonardo heette, en moedigde me aan om een verhaaltje te vertellen. De engel was daar gestorven, maar we konden nog steeds met hem praten en hij was eenzaam.
Ik had even zitten drinken in met Gijsbrecht in de bar, toen een bard met een groep Foraneze soldaten naar binnen kwam. Hij zong het lied "Even in Scharheven" en ik had de tranen in mijn ogen staan.
Dat prachtige lied, dat moest Leonardo horen!
Ik vroeg de bard het lied nogmaals te spelen, maar dan buiten, waar Leonardo het kon horen.
Nadat de bard klaar was met spelen, hoorde ik een stem. Was dat Leonardo?
De stem vertelde dat hij een Verwervende was, en dat zijn zielenbroeder een Maakende was. Dat die verbondenheid tussen hen dieper ging dan welke andere band dan ook.
Zondag
Die nacht droomde ik van de Goden van de Vereenighden Stammen der Scharheve. Ik liep door een tempel, achter een vrouw aan. Het was Johanna, en zij droeg een pantser. Ze kwam in de kamer waar een grote lange tafel stond. En aan beide kanten van die tafel zat Wilhelm: aan de ene kant de Maakende, en aan de andere kant de Verwervende. Johanna wilde hem iets laten zien op de kaart, maar Wilhelm wuifde haar weg. Johanna boog haar hoofd en stapte naar achteren. Ze stond bij de muur, waar een groot wandkleed hing. Van achter het prachtige wandkleed kwam een hand. Het was duidelijk een hand van een Verwervende. Er zaten zaagsel en houtkrullen op de hand, en de hand hield een dolk vast. De hand met de dolk stak de dolk naar beneden, zo in Johanna haar rug. Johanna viel, en het wandkleed viel over haar heen.
De vrouwen en dochters van Wilhelm renden de kamer uit, en de beide helften van Wilhelm ook.
Toen Hij terugkwam in de kamer, was het lichaam van Johanna weg. In plaats daarvan stond Theresia daar.
Ik droomde ook van de blauwe vogel. Ze kwam met de lijst naar onze dromen, want ik zag daar de anderen die met mij haar geholpen hadden de lijst te stelen. Nu konden we de lijst nog eens goed bekijken. Er stonden veel namen op, en ik herkende er maar een paar. Prisma's naam stond op de lijst, en die van Carrick ook. Er was ook een Van Ravendrecht, maar het was niet Vrouwe Corcra of Vrouwe Eola. De vogel vertelde dat de Moordenaar die lijst had gemaakt, en ik vroeg me stilletjes af of dat dezelfde Moordenaar was die Johanna had vermoord.
Na het ontbijt zocht ik Hannes op. Als paladijn van Jezebel wilde ik het nieuws met hem delen dat ik gedroomd had over Wilhelm.
"Misschien is dit wel Wilhelm's manier om je te laten weten dat je paladijn van Hem moet worden." zei Hannes.
Na ons gesprek ging ik nog wat boogschieten. Ik hoopte goed warm te zijn voor de eindbuts - maar die bleef uit.
En zo kwam er aan Weerklank 2 een einde!