janestarz: (Me - Edwardian)
[personal profile] janestarz
Het was weer een intens event en het begon gelijk goed. Stanislav en ik waren na het vorige evenement nog een weekje bij de bouwplaats gebleven zodat ik hem taalles kon geven en daarna waren we afgereisd naar de Markgraaf. Stanislav had nog een beloning tegoed voor zijn hulp bij het Ritueel tegen de Vier Kwaden, en hij wilde die graag afhalen. Tijdens de reis terug naar de bouwplaats kwamen we Nadine en Olivier, en Brienne en Waldemar tegen. Van deze hele groep kon alleen Stanislav woudlopen, dus hij drong aan dat we allemaal netjes op de paden zouden blijven.
In het laatste deel van de reis werd ons pad ineens versperd door een aantal duistere figuren. Ik kon het maar moeilijk zien, maar de donker geklede figuren stelden moeilijke vragen. Ze gebruikten een aantal keer het woord "stervelingen" om ons te beschrijven, dus ik kon daar wel uit opmaken dat het geen levende wezens waren. Het paadje waar we op stonden was versperd door omgevallen bomen en ze hielden steeds delen van deze houtwal tussen hen en onze groep in, zodat er geen enkele mogelijkheid was om ze aan te vallen. Ik weet ook niet zo goed of dat een fijn plan was geweest, in de steeds dieper wordende schemer en uiteindelijk de nacht kon ik niet eens tellen hoeveel schimmen daar stonden.
Toen de naam van de leider van de groep viel, Muxion, fluisterde Nadine zachtjes 'die uit de brief...' Duidelijk zei het haar meer dan ik. Muxion was voornamelijk geïnteresseerd in de kerker. Onze ontwijkende antwoorden bevielen hem niet, en elke keer dat er een klein stukje informatie loskwam schertste hij "Oh, dus jullie weten het wél!"

Na een lang gesprek waarbij Waldemar ongetwijfeld meer los heeft gelaten dan eigenlijk verstandig was geweest mochten we doorreizen en liet Muxion ons gaan. Terwijl we verder liepen richting de bouwplaats en Huize Rühwald vertelde Nadine kort dat Muxion een nekrocht was, en dat nu Wallach gebonden was in de Verzadiging de troon van Wallach leeg was. De ondoden zouden voor deze troon onderling gaan strijden, en Muxion was waarschijnlijk één van de kanshebbers.
Nu had ik me afgelopen winter niet echt bezig gehouden met wat er zich in de crypte onder Huize Rühwald bevond, en was ik niet van plan om me daarmee te gaan bemoeien. Ik had mijn eigen sores, en oh ja, ook fijne herinneringen aan die plek die me bezig genoeg hielden.

De bekende gezichten van de avonturiers begroetten ons toen we aankwamen bij Huize Rühwald. Ik regelde een kamer voor mezelf en een plekje op de slaapzaal voor Stanislav, en keek rond. Iedereen was op de hoogte van de timing, dat het wapen binnenkort vrij zou komen en het was duidelijk dat niet alleen avonturiers op de hoogte waren. Gedurende de avond en nacht kwamen er af en toe vlagen zombies, skeletten en ander ondood gespuis aangelopen wat afgeslagen moest worden. Gelukkig was ik niet de enige die me over de fysieke gezondheid van de avonturiers hoefde te buigen, naast Torg was nu ook Rowena druk bezig met haar genezende kunsten. Zij was in het bos tegen een probleem aangelopen en kon en mocht voor haar eigen gezondheid geen wapens hanteren. Ik nam haar onder mijn vleugels en we deelden kruiden, hechtdraad en zalfjes met elkaar.
(Maartje had een lichte hersenschudding opgelopen op VA de week ervoor, en mocht niet vechten. Gelukkig kon ze zo toch meedoen met het spel.)

Naast dat de crypte een hoop ongewenste gasten aantrok, trok het ook vreemdelingen die we niet direct weg konden sturen. Er liepen een aantal figuren in witte robes rond, die bleken witte necromancers uit Zoltanax te zijn. Zaphira heeft nog een praatje met ze aangeknoopt om erachter te komen hoe dat nu precies in zijn werk gaat, maar echt duidelijk werd het haar niet. Om het snel samen te vatten: "We gebruiken de zwarte necromantie tegen de necromantiërs." Wat dat dan ook mag betekenen.
De beste man was wel heel aardig, en ze kon haar Zoltanaxaans oefenen met hem. Bij de gevechten vocht hij net zo hard tegen de ondoden als de anderen, en daarnaast gooide hij af en toe met een spreuk waar de creaturen uit elkaar spatten, dus dat was bewijs genoeg: goed volk.

Er was ook hoog bezoek. De Hermandat kwam aan, begeleid door twee paladijnen. Ik hoorde helaas niet van welke orde ze waren, maar Luciano of Caspar vroeg om hun brieven van status te mogen zien. Ik wierp ook een blik, terwijl de scribent die met hen meereisde de brieven toonde. De Hermandat herkende ik direct, maar de beide paladijnen kende ik niet. Ze droegen een maiënkolder en een groot schild, en kwamen om erop toe te zien dat de gevangene daadwerkelijk geëxecuteerd zou worden.
Deze dame was al maanden opgesloten in de kerkers in de crypte en Caspar had niet door durven pakken. Ze was via brief geïnstrueerd dat het vonnis de doodstraf was en slechts nog uitgevoerd diende te worden, maar zij had haar eigen onderzoek willen doen. Nu was er geen mogelijkheid meer om te blijven draaikonten. De executie was gepland voor nu direct.

De vrouw werd naar het pleintje gesleept en smeekte voor haar leven. Ze beweerde dat ze van niets wist, en de aanwezige avonturiers die de rechtszaak hadden meegemaakt wisten al haar tegenwerpingen te ontkrachten. Al snel hadden de paladijnen er genoeg van. De vrouw werd hardhandig op haar knieën gedwongen, en het enorme zwaard van één van hen maakte een eind aan haar leven.

Ook waren er een aantal sujetten uit Iis. Eén man met een hoed sprak ik even kort mee, maar ik wilde vooral snel verder lopen. De rillingen liepen over mijn rug door wat hij zei. (Voornamelijk half-vissende semi-waarheden, met zo'n grijns op zijn gezicht waarvan je direct agressief wordt.)
Later in de avond zaten deze heren buiten in een groepje. Blossom benaderde ze, en ik hoorde niet wat Blossom vroeg, maar wel het antwoord.
"Ja, ik ben een priester van de Brenger."
Blossom trok bliksemsnel een dolk en begon de man in zijn borst te steken met een grote furie. Na zeker tien, twaalf messteken haalde hij het mes over de keel van de man, die langzaam van de tafel gleed waar hij overheen was gevallen. Een zacht gorgelend geluid kwam nog uit zijn geruïneerde hals.
Ik was compleet geshockeerd van deze wilde en agressieve actie van Blossom en kon niet bewegen. Anderen schoten te hulp. Blossom werd aangehouden en gearresteerd, en de priester werd snel genezen en weer op zijn pootjes gezet. Hij probeerde zich stoer te houden, maar zijn stem was schor. Dit zou hem niet in zijn koude kleren gaan zitten.

Een aantal lieden van hoge status kwamen snel bij elkaar. Ridder David en Luciano namen het voortouw. Blossom moest berecht worden voor deze aanslag nadat hij officieel door Caspar was gearresteerd voor zijn acties. Een aanslag op een priester, zelfs eentje van dit onpopulaire geloof, is nog steeds een strafbaar feit. Te meer omdat de Hermandat nog steeds rondliep, met zijn mandaat om lieden van status te berechten als zij niet aan hun plichten voldoen, moesten wij ook een goede indruk op de Hermandat maken. We konden niet wegkomen met een stukje vriendjespolitiek.
Ridder Septimus en Ridder David namen de tijd om te bakkeleien over de rechtmatige gang van zaken, hoe een rechtzaak daadwerkelijk zou moeten lopen, en Tiberius, Caspar, Luciano en ik knikten beleefd.

Omdat de geneeskrachtige kruiden er hard doorheen gingen was het na het ontbijt en mijn dans met de wind tijd om een rondje door het bos te lopen. Met gedegen bescherming natuurlijk, en niet alleen deet tegen de muggen en teken, maar ook Luka, Stanislav en anderen die zombies op afstand konden houden. De vaardigheid Grondstoffen Verzamelen is nog steeds een beetje raar: als je die vaker aankoopt kun je vaker het bos in om componenten te gaan zoeken, niet dat je per tocht van minimaal 1 uur meer kruiden kan vinden. Ik heb de vaardigheid drie keer aangekocht omdat ik toendertijd niet snapte hoe die werkte, wat betekent dat ik de hele ochtend van het ontbijt tot de lunch aan drie tochten door het bos wandelen kan spenderen, en daar 3 kruiden voor terug krijg. Het is dat de kruiden echt op waren en de componenten hard nodig zijn voor de genezing, maar 3 tochten van een uur in het bos wandelen, dat trek ik fysiek echt niet. Eentje is genoeg.

Bij de rechtszaak tegen Blossom kwam er naar voren dat hij dacht dat ik behekst was geweest door de priester van de Brenger. Ik had iemand 'een goede nachtrust' gewenst, en volgens het vorige Pantheon, de geloven die Blossom nog altijd volgde, was dat een teken van de Brenger der Nachtmerries. Ik was me van geen kwaad bewust, mijn geheugen gaat immers maar 7 jaar terug, en het oude Pantheon kan ik me helemaal niet herinneren, noch wist ik dat die uitspraak zo'n heftige connotatie had. Blossom had beredeneerd dat Zaphira nooit iemand zoiets zou toewensen, dus zal ik wel behekst zijn geweest.
Luca had mijn geest onderzocht om erachter te komen of dat zo was, maar gelukkig was ik niet behekst (alleen maar verliefd).
Het vonnis was toch heftig. Dit was niet zijn eerste vergrijp en omdat zo'n aanslag nota bene op een priester was, werd Blossom veroordeeld tot de doodstraf. Dit vonnis was echter voorwaardelijk: als hij binnen de komende twee jaar nogmaals gearresteerd zou worden en door een rechter wederom schuldig zou worden gevonden, zou het onmiddellijk worden uitgevoerd, ook als het nieuwe vergrijp slechts een klein vergrijp zou zijn. Wel zou hij vijfendertig stokslagen krijgen, die direct uitgevoerd zouden worden, publiekelijk op het plein.

We gingen allemaal naar buiten en maakten een grote kring. Luciano vroeg Stannislav de stokslagen met de achterkant van zijn bijl toe te dienen, en met een knikje van mijn kant, ging Stannislav akkoord. Blossom haalde zijn tuniek over zijn hoofd en ging op zijn knieën klaar zitten.
Na vijf stokslagen begon hij pas geluid te maken. Na tien stokslagen raakte Blossom uit balans en moest Stanislav even pauzeren zodat Blossom zich weer kon herpakken.
Na twintig stokslagen begon Blossom zachtjes te bidden tot zijn god. Ik herkende het gebed niet, maar mijn hart weende. Ik hield mijn gezicht zorgvuldig neutraal en mijn rug recht, en wou dat ik mijn kracht naar Blossom kon uitstralen.
Na de laatste slag viel Blossom met zijn gezicht op de tegels, en veegde Stanislav het heft van zijn bijl af aan een stuk stof. Twee mensen snelden naar voren om Blossom omhoog te helpen, en ik ging voor hem op mijn knieën zitten. Voorzichtig wikkelde ik een stuk verband om zijn lijf, hopende dat het niet teveel pijn zou doen aan zijn wonden. Hij had zich sterk gehouden, en nu was het voorbij.

Ik bracht tijd door met Ridder Septimus en we spraken over de brief die we vorig jaar samen hadden opgesteld. Hij had me gevraagd te bemiddelen in Iis in de hoop daar een dependence van de IJzeren Toren te kunnen vestigen, een burcht die kennis verzamelt en deelt. We hadden geen van beiden iets terug gehoord uit Iis, dus dat was jammer.
Hij stelde me voor aan zijn schildknaap, Egidius, die al meerdere ridders had gediend maar die waren allemaal omgekomen door ongelukjes. De een viel van zijn paard en brak zijn nek, een ander liep even van het pad af om zijn blaas te legen en was nooit meer teruggezien. Septimus was de vijfde ridder op rij die hem onder zijn hoede had, en ik hoopte maar dat Egidius het naar zijn zin zou hebben bij hem.

Uit het bos kwamen af en toe ondoden gelopen en...gehupst. Blijkbaar zat er in het woud een necromancer die letterlijk alles opnieuw op deed staan na de de dood en dat was inclusief konijntjes. De ondoden waren in het begin niet zo gevaarlijk, maar naarmate de dag vorderde leken ze sterker te worden. Omdat de aanvallen steeds met vlagen tegelijk kwamen was ik druk bezig met iedereen weer oplappen, en de kruiden gingen hard. Ik sprak met verschillende groepen avonturiers, want ik zag de voorraad zienderogen krimpen. Vanaf dat moment kwamen de avonturiers braaf elke keer dat ze iets gevonden hadden, het bij mij brengen. "Kun je hier wat mee?"

Ik verstopte me een beetje voor een stelletje uit Iis wat er onguur uitzag. Ze droegen donkere gewaden en leken op zoek te zijn naar een erfgenaam van het Keizerrijk. Meerdere avonturiers zochten me op en raadden me aan om bij hen uit de buurt te blijven, maar het was vrijwel onvermijdelijk dat ze vroeg of laat bij mij aan zouden komen. Daarom nam ik plaats aan een tafeltje en vroeg ik Stanislav en anderen een oogje in het zeil te houden. Reginald of Wakefield en zijn broer Philippus kwamen uit Iis en waren volgelingen van de Brenger der Nachtmerries. Reginald vertelde dat zijn broer op zoek was naar de stem van de God-Keizer, en dat het al zo lang geleden was dat hij die voor het laatst gehoord had. Philippus was zichtbaar aangedaan en frutselde terwijl we het erover hadden.
Ineens boog hij zich over de tafel en zijn ijsblauwe ogen priemden in die van mij. Ik probeerde het oogcontact vast te houden en zelfverzekerdheid uit te stralen. "Does he speak to you? The Lord and Master of All?"
Het verhaal wat ze vertelden kon ik niet echt plaatsen, want er waren blijkbaar twee aftakkingen van de keizerlijke bloedlijn. Ik vroeg of ik er meer over mocht horen, en dan de meest recente alstublieft.
Reginald vertelde over Alrick Monvant en zijn keizerlijke bloedlijn. Hij was een paladijn van de Grote Moeder geweest, en halverwege zijn verhaal besefte hij zich ineens, "Nee, daar kunt u geen afstammeling van zijn. Daar bent u, met alle respect, te oud voor. Dit speelde zich vijftien jaar geleden af."
Ik gaf voorzichtig toe wel eens stemmen gehoord te hebben. De eerste had mij geïnstrueerd hoe ik een bepaald alchemisch drankje moest maken, en de andere was een stem van een servitar waar ik zo mijn vermoedens over had. Maar of dat de God-Keizer was? Ik durfde hen dit niet te vertellen, dus ik vroeg slechts hoe ik kon testen uit welke bloedlijn ik een afstammeling was. Ze reageerden dat dat niet aan hen was om te doen.
Nadine probeerde driftig mee te schrijven met wat ze allemaal vertelden, maar ook zij raakte op een gegeven moment het spoor bijster. Het was een verwarrend gesprek.
Uiteindelijk sprak Reginald dat ik veel voor Iis zou kunnen betekenen. Weer priemden de ogen van Philippus in de mijne. Hij concludeerde dat ik 'daar nog niet was' en zijn schouders zakten in verslagenheid.

Die avond werd nog gekker. Ik had net een kop thee voor mezelf ingeschonken toen een avonturier me vertelde dat er iemand op me zat te wachten. Mijn hart maakte een sprongetje (zou het Roland zijn?), en ik liep naar buiten.
Onder de overkapping zat de man die ik een jaar geleden voor het laatst had gezien, de servitar in het wit met de gorget om zijn hals. Zijn handen waren voor hem gevouwen op tafel en hij was de kalmte zelve. De schilderingen op zijn gezicht staken duidelijk af in het aanwezige licht, ze waren in twee kleuren, goud aan de ene kant en rood aan de andere. Zijn witte gewaad was wederom spierwit en over zijn handen viel een uitbundige hoeveelheid kant, waardoor ik niet kon zien of hij weer de armband om had. Zijn haar zat netjes gekamd en gestyled en het viel me op dat in tegenstelling tot vorig jaar, hij absoluut geen pijn leek te lijden.
"May I join you?" vroeg ik, en hij gebaarde naar de bank tegenover hem. Vervolgens draaide hij naar Stanislav die mij op de voet was gevolgd. "Could you arrange for a cup of tea please?"
Stanislav draaide zich naar mij en ik reageerde "If it's not too much trouble."
Stanislav vertrok naar binnen en keerde al snel terug met kamille thee voor de servitar.
Ik weet niet meer precies hoe het gesprek ging, maar wel dat we grotendeels in Iis praatten. Toen ik opmerkte dat hij er beter uitzag dan de laatste keer dat ik hem zag, vertelde hij slechts dat hij meer zichzelf geworden was. Toen ik hem naar zijn naam vroeg, fronste hij. "That is not something I have learned yet. But in time, that too will come to me."
Zijn hooghartigheid maakte eenzelfde gevoel in mij los, en we praatten over Iis. Hij beloofde mij dat voor zolang als mijn bloedlijn zou blijven bestaan, er altijd een troon in Iis voor mijn familie klaar zou staan. Hij beloofde me dat hij achter de schermen al invloed aan het uitoefenen was. Dat meerdere stad-staten klaar zouden staan om zich achter mij te scharen als ik mezelf kenbaar zou maken.
Het waren allemaal prachtige beloften, en ik vroeg me maar één ding af: wat zou de prijs zijn die ik daar uiteindelijk voor zou moeten betalen?

Uiteindelijk was ons gesprek ten einde, ik zag nog hoe de servitar even rondhing bij een van de deuren van het landhuis en hoe Waldemar probeerde een praatje aan te knopen.
Ik was inmiddels wel duidelijk geweest: het werd tijd dat ik dit pad zou gaan bewandelen. Het had jaren geduurd om comfortabel te worden met het feit dat ik geen verleden had en nu was het tijd om een toekomst te bouwen. Ik had eerder die dag Morris (Moros) al toegesproken dat als hij mij aanwees aan buitenstaanders, hij mijn titel moest gebruiken. Het is prima dat de avonturiers me aanspreken als Zaphira als de nood aan de man is, maar er zijn grenzen.

De volgende dag kwam er een delegatie van de IJzeren Toren. Na Nadine's verzoek om informatie wilden ze wel eens even testen wie zij was en waarom zij zulke gevoelige informatie opvroeg. Septimus had me al op de hoogte gebracht van hun 'test' en benadrukte dat het vooral was om te zien dat er geen gevoelige informatie in de verkeerde handen zou vallen. Ik had reeds kennis gemaakt met Scribus, en toen boog Epke zich over mijn hand. Terwijl ik me voorstelde praatte hij al over mij heen: "Heeft u wellicht bewijzen van uw familiebanden, geschriften wellicht, die zouden kunnen onderbouwen wat u nu claimt?"
Hij had mijn hand nog vast, dus met de linkerhand gebaarde ik halfslachtig naar de ring. "De Ring, de Ketting... maar wellicht vindt u dit interessanter." Ik pakte mijn kopie van de Books of Tradition uit mijn mandje. Epke ging gauw zitten, en begon de geschriften door te bladeren. Hij prevelde af en toe iets en ging in een razend tempo door het geschrift heen.
"Dit is natuurlijk slechts een kopie," zei ik, "maar Mira heeft de originelen."
We haalden Mira erbij, en het volgende uur was Epke gebiologeerd in de Books of Tradition aan het bladeren en kwam er niets meer van welke ondervraging dan ook.
Toen we eindelijk gingen zitten voor het belangrijke gesprek om in te schatten of dat wat we met de informatie wilden doen wel kosher was, bleek het slechts nog een formaliteit te zijn. Nadine kreeg de tijd om alle vragen te stellen die ze wilde stellen, en ik bleef in de buurt omdat het mij toch ook aanging. De hyper-energieke Epke werkte me echter al danig op mijn zenuwen, en ik kon niet wachten tot het gesprek klaar was. Mijn hoofd was al zo over-gestimuleerd dat ik niets heb opgeslagen van het gesprek, maar Nadine heeft volgens mij nog wel dingen opgeschreven.

De andere avonturiers waren druk bezig met het wapen uit de crypte. De laatste tests werden gedaan om te bepalen wie er sterk en daadkrachtig genoeg zou zijn om het wapen te hanteren en er werd vergaderd over wat er dan mee moest gebeuren. Omdat teveel personen van status teveel meningen vormden, besloot David het te beperken tot één persoon per pillaar. De leerling van En Dwi (Vaughn?) zat er voor het geloof, Tiberius zat er voor de gildes en ik was de aangewezen persoon voor de adel. De gelovigen wilden het wapen gebruiken om de nekrocht of misschien zelfs meerdere nekrochten aan het Pantheon te binden. Tiberius en ik waren het hier niet mee eens. Deze mening was gestoeld op wat de Vertoornde Brenger aan diens priester had medegedeeld en er was nog steeds geen onderzoek geweest naar wat de andere goden hiervan zouden vinden. We moesten meer informatie hebben en hoopten dat er meer gelovigen met hun goden zouden kunnen communiceren.

Bij het vallen van de avond werd er een ritueel gedaan om Puck op te roepen. De kroonprins van de Fae had een overeenkomst gesloten met de Von Rühwalds dat hij het laatste component wat nodig had zou leveren, dus hij moest herinnerd worden aan die afspraak. Sofia vroeg of ik kon helpen met de bewoording. "Je kunt hem uitnodigen voor thee en koekjes." Dat kon ik me herinneren van Puck.
Tijdens zonsondergang werd het ritueel gestart om Puck op te roepen en Mira las de tekst om hem te roepen. Toen ze uitgesproken was viel met een grote plof een grote jas in het midden van hun cirkel.
"Misschien zit hij in bad..." zei ik nog.
Ik mag nooit meer raden.
Van achter het landhuis, in de richting van de bouwput, klonk een luide, foeterende stem. Ik rende die kant op, want ik herkende de stem een beetje. Het was Puck, die midden in de vijver achter het landhuis was geland. "Jullie moeten beter leren mikken!" foeterde hij.
Hij werd enigzins afgedroogd en werd door Sasha von Rühwald aan zijn belofte herinnerd, en Puck vroeg wat hij ervoor terug zou krijgen. Hij stelde een feestje voor: dat wij een aantal Fae zouden verwelkomen en een leuk feestje zouden hebben. Wie houdt er immers niet van een feestje?
Toen Puck verscheen met zijn vier Fae had ik er direct mijn twijfels bij. Roland had gezegd dat zijn broer nog steeds bij de Fae rondliep, en Fae zijn krachtige wezens. Wat nu als zijn broer hier rondliep? Of wat als ze één van de avonturiers mee zouden nemen?
Ik hield mijn afstand, en de Fae in kwestie begonnen te zoeken naar hevige emoties die zij zo lekker vinden. Caspar werd in een hoekje gedreven, en ze dwongen haar met zachte woorden om haar liefdesbrieven met hen te delen. Eén van de Fae met blauw-witte hoorns en gezichtsschilderingen bood haar arm aan mij aan, en begon mijn hand zachtjes te strelen. Ik was heel blij dat Puck uiteindelijk besloot dat hij tevreden was, en het component zou afstaan.

Rowena riep mij erbij. Blossom hinkte een beetje en ze wilde hem genezen, maar ze kon er niet helemaal wijs uit worden hoe dan. Zijn linkerbeen was gevoelloos onder de knie, en ik nam een kijkje. Het leek erop dat de knie tijdens de gevechten half genezen was en toen weer in pulp was geslagen, net zolang tot het helemaal verdraaid en verkromd aan elkaar was gegroeid.
"Ik zal een operatie moeten uitvoeren om alles weer op de juiste plek te leggen en aan elkaar te maken." Blossom knikte. "Dat is goed. Het hoeft ook niet verdoofd te worden want ik voel daar toch niets."
We legden alles klaar en ik ontsmette mijn dolk boven een kaars.
"Zow! Ehm, wil je misschien niet iets kleiners?" vroeg Blossom. Mijn dolken waren natuurlijk wel groot, en Blossom reikte me een veel kleiner mesje.
Voorzichtig maakte ik de incisie en met elke snede ging ik een klein stukje dieper, tot hij aangaf dat het 'kietelde'. Hm, nog een sneetje dieper dan?
Blossom schreeuwde het uit.
Toen begon de taak om alles weer op zijn plek te leggen. Ik wees aan Rowena aan waar de miniscus normaal zou moeten lopen en hoe die nu verkeerd terug gegroeid was geweest. Eén voor één legde ik alles weer op de plek en ik gebruikte een fijn hechtdraad om de juiste delen op de juiste manier aan elkaar te maken.
Achter mij waren nog steeds dingen aan de hand met ondoden, en Blossom hield alles in de gaten. Hij schuifelde onrustig op zijn bank, terwijl zijn linkerknie nog steeds open voor mij lag.
"Blossom, je moet nu niet opstaan." waarschuwde ik. "Ik ben bijna klaar. Als je nu opstaat en gaat rennen maak je nog meer stuk!"
Blossom was echter niet te houden. Hij sprong op met een schreeuw, klaar om over mij heen te springen. Rowena, Torg en ik pakten hem vast. Ik hing aan zijn schouders maar Blossom was gewoon te sterk. Hij rende op de vampier af die aan de rand van het grasveld stond om haar tot pulp te slaan.
Toen zijn furie enigziens bekoeld was brachten een aantal sterke krijgers Blossom weer terug naar het bankje. Torg knielde en bond met grote ketens Blossom's handen bij elkaar zodat hij niet nog een keer kon opstaan.
Ik zette het kaarsje dichterbij en bekeek de schade. Het is een wonder dat hij door de pijn van de operatie heen toch weg kon rennen, maar het had wel zijn sporen nagelaten. Ik reeg een nieuwe hechtdraad in mijn naald en begon weer te hechten. Blossom begon zachtjes te bidden. Het herinnerde me aan zijn stokslagen van een aantal dagen geleden. Koppige, sterke Blossom, wat doe ik je toch aan?

Wat er precies verder gebeurde zag ik niet, maar de vampier en haar ghoul werden door iemand aangevallen. Ik kreeg daar indirect wel mee te maken, Sofia wilde haar gram spuien hoe we met twee maten maten en dat degene die een onschuldig meisje (de ghoul) had aangevallen geen straf kreeg, maar dat die arme Blossom ter dood veroordeeld was.
Ik liet haar even uitrazen en probeerde toen te reageren, maar er waren drie mensen die over mij heen aan het praten waren. En al had ik het me nog zó voorgenomen, ik verhief mijn stem
"ZOALS IK AL ZEI..." begon ik, en toen de anderen eindelijk stopten met praten ging ik verder; "...is alles met het meisje inmiddels in orde?" Ze knikten dat het meisje genezen was, en ik vervolgde. "Blossom heeft een misdaad begaan, is daarvoor gearresteerd, berecht en heeft een straf gekregen. De persoon die dat meisje heeft aangevallen, is die persoon aangehouden?"
Sofia gaf schoorvoetend toe dat ze eigenlijk niet wist wie dat gedaan had.
"Zogauw de dader bekend is kan er onderzoek gedaan worden. Dan kunt u een aanklacht indienen en zal die persoon ook berecht worden." Luciano was erbij komen staan en nam Sofia geruststellend bij de arm. "U kunt de aanklacht bij Luciano indienen en hij zal daar natuurlijk adequaat op reageren." beloofde ik. "Luciano, ik ga ervan uit dat jij dit ook heel serieus neemt?"
Sofia hield gelukkig daarna haar mond, en later die avond ging ze met Luca, die de vampier en het meisje had aangevallen, zitten voor een goed gesprek. Er is nooit een aanklacht ingediend, en Luciano was het roerend met mij eens dat een rechtszaak niet nodig was.

Verder was Septimus het met mij eens dat er meer informatie ingewonnen diende te worden, en omdat we nu eenmaal niet genoeg priesters hadden die hun goden moeilijke vragen wilden stellen, had hij een ander plan. Eén van de lieden van de IJzeren Toren kon een beroep doen op een ...imp...? en die erop uit sturen om te vragen of de Heraut van het Pantheon wat vragen wilde beantwoorden. Scribus, Egidius, Septimus, Stanislav en ik volgden de dame van de IJzeren toren naar het meertje achter het landhuis en de ritualiste trok een cirkel en stuurde de imp erop uit. De Heraut verscheen voor onze neuzen, en we knielden en bogen het hoofd. Hij vroeg om onze namen, en één voor één stelden we ons aan hem voor. De anderen hielden hun hoofden gebogen, maar ik keek omhoog naar deze imposante figuur. Hij vroeg ons op te staan en onze vragen te stellen.
"Wat zouden de Goden ervan vinden als er één of meerdere nekrochten aan het Pantheon gebonden zouden worden?" vroeg Septimus eerbiedig.
De Heraut was even stil. "Hebben jullie er al over nagedacht wat er zou gebeuren als de stervelingen een nekrocht die aan het Pantheon gebonden is, zouden gaan aanbidden?"
Dat leek mij een verschrikkelijk slecht plan.
"En nu willen jullie meerdere nekrochten aan het Pantheon binden? Weten jullie wel hoeveel er zijn? Er zijn er één en twintig. Wat zou er gebeuren als die allemaal zouden samenwerken tegen de Goden?"
Dat leek mij ook een verschrikkelijk slecht plan.
Maar de heraut was erg geduldig met ons. "Gelukkig werken deze wezens niet graag samen, en zijn ze van nature competitief en achterdochtig. Wellicht dat daar kansen voor jullie liggen. Nog meer onrust te zaaien in hun gelederen, zodat ze eerder onderling strijden, in plaats van de handen ineen slaan."

Toen we terug liepen naar de bankjes voor het landhuis, maalde mijn hoofd. Het was een soortgelijke kwestie als Keizerin worden: de grote vraag van 'Hoe Dan'? Hoe krijg je nekrochten zover dat ze elkaar gaan aanvallen, hoe voed je de achterdocht die ze al naar elkaar hebben?
Septimus ging graag verder met theoretiseren die avond. Ook heeft hij mijn Keizerrijk nog even aan me ge-mansplained. Ik vind het niet erg om met de beste man te overleggen en bekokstoven, maar het is echt vervelend dat ik er geen woord tussen krijg.
De heren uit Iis hadden me in ieder geval een paar hints gegeven; in Tweskadoor zou wellicht meer informatie zijn rondom het oude keizerrijk. En wellicht kon ik aan namen komen van lieden in Iis die me zouden willen helpen.

Philippus zag er anders uit; zijn nerveuze tic was weg en hij leek rust in zichzelf te hebben gevonden. Hij vertelde dat hij gepraat had met andere priesters en dat hij kennis had gemaakt met het nieuwe Pantheon. Dat de buitenste ring van De Aardmoeder, Het Wezen van het Leven, en de Vader der Vergankelijkheid maar ronddraaide maar ook wiebelde, alsof het niet helemaal in balans was. Dat de binnenste ring van de Vrouwe der Verandering, de Heer van het Licht, de Vertoornde Brenger en de Hoeder ook draaide, maar dat die steeds een andere kant op ging, dan weer die kant op, dan weer die kant op, en dat die ook wiebelde. En dat daar in het centrum de Spil was.
Ik vertelde hem van het gebed wat ik ooit met Ryas aan de Spil had gewijd. En dat ik de servitar van de Spil had ontmoet. Bartholomeus, heette die.
De ogen van Philippus lichtten op met een gevaarlijk elan. Ik vroeg me af of ik er goed aan had gedaan om dat met hem te delen...

Profile

janestarz: (Default)
janestarz

April 2026

S M T W T F S
    1234
5 678 910 11
12 1314 15 161718
19202122232425
2627282930  

Tags

Style Credit

Expand Cut Tags

No cut tags
Page generated Apr. 18th, 2026 02:58 am
Powered by Dreamwidth Studios