janestarz: (Moulin Rouge - Show must go on)
[personal profile] janestarz
Mijn laatste larp was Emphebion 2019, en het verslag daarvan sloot ik af met de woorden: “we hoeven nu maar 6 maanden te wachten tot het verhaal verder gaat.” Nou, dat hebben we geweten. Het werd uiteindelijk een ruime twee en een half jaar.

Het was gelukkig niet heel erg onwennig om mensen weer te zien en op een locatie in het bos rond te huppelen. Al had ik erg last van brainfog - voor het event wilde ik nog wat sleutelen aan mijn personage maar ik liep daar erg tegen mijn eigen grenzen aan. Mijn hoofd had een duidelijk "nope-momentje". Het werd er niet veel beter op toen ik er op vrijdagmiddag achterkwam dat mijn linnen zomerjurk voor "een paar" kilootjes meer was gemaakt en nu als een hobbezak om me heen hing. Om dat allemaal aan te passen zou betekenen dat ik de halve jurk uit elkaar moest halen en opnieuw moest maken.
Twee huilbuien later had ik besloten om mijn winteroutfit (met korte mouwen) mee te nemen, die kon inmiddels helemaal dicht maar stond geweldig.
Eenmaal op de locatie had ik vier man om hulp gevraagd voor het spenderen van de punten die ik nog te besteden had en uiteraard helemaal niets van wat ze me aanraadden ook daadwerkelijk onthouden. Dat beloofde nog wat. Ik kocht een tweedegraads magie ritueel aan, een extra eerstegraads spreuk, en wat vaardigheden zoals "vergiffen genezen" en "extra geld" -- geholpen door notities op een kladblaadje in mijn agenda, anders was het nog frustrerender geweest dan verwacht.

Met een larp van zaterdag tot en met dinsdag is het sowieso een rommeltje, dus ik schrijf vooral even scenes op die me geraakt hebben, welke dag wat gebeurde weet ik al niet meer.

---

Bij de herberg aangekomen was het hartverwarmend om iedereen weer te zien. Het waren rustige maanden, nee, jaren geweest sinds het ritueel met de Vier Kwaden. In de tussenliggende tijd had ik magie gestudeerd bij Meester Raistlin en Harman bezocht voor een goed gesprek, en ik was blij om hen beiden weer terug te zien tussen de avonturiers. Velen waren afgereisd voor de uitnodiging die in de krant stond om avonturiers te huldigen voor hun gedane werk.
De herberg in kwestie lag echter in een magie-loze zone. De herbergier had met paaltjes de rand van deze cirkel aangegeven en binnen de cirkel kon geen magie gebruikt worden. Alle energie uit spreuken, van magiërs en priesters en mogelijk zelfs alchemisten, werd opgezogen door de cirkel, waardoor de cirkel uitbreidde. Het advies was om spreuken, rituelen en gebeden buiten de cirkel te doen.
Dat leverde natuurlijk de nodige problemen op. Na de welkomsttoast werd een priesteres van het Wezen van het Leven onwel, en leek er een demon uit haar te springen. We brachten haar naar buiten, waar Zaphira begon met hartmassage en beademing, terwijl Rowenna uit probeerde te zoeken welk gif ze had binnengekregen. Gelukkig kon Harman de hartmassage tijdelijk overnemen, en na een eeuwigheid kwam de priesteres weer bij. Rowenna had twee tegengiffen moeten mengen om de priesteres te genezen, maar het was wel gelukt.

Eén van de dingen die speelden was de oorlog: Annalusië en de Mark hadden zich afgescheid van het Koninkrijk Dosforks en uitgeroepen tot het onafhankelijke Annalusië. Deze oorlog sleepte al jaren voort, en de bevolking leed eronder. Onder de avonturiers bevonden zich genoeg gildemeesters, adelijken en priesters van hoge status, en er voegden zich nog een paar bij het gezelschap. De vergaderingen werden geleid door een Grootmeester van het Handelaarsgilde, en het doel was om een advies uit te brengen aan de hogere adel, in een poging de gemoederen te sussen en de partijen te overtuigen vrede te sluiten.
Natuurlijk was er veel om over te praten en wilden veel van de aanwezigen hun zegje doen. De vraag of het één land moest worden, of twee? En hoe konden de drie pilaren (geloofsdienaren, gildes, en de adel) leren samen te werken en tot actie aangespoord worden om dit te bewerkstelligen?
Het waren korte vergaderingen verspreid over meerdere dagen, en de vergaderingen werden strak geleid werden door de Gildegrootmeester Hanna. Zaphira vond het maar een moeilijk onderwerp. Het belangrijkste was dat de gewone burgers niet meer ontheemd werden, niet verplicht werden te vechten in deze oorlog, en niet hun leven zouden geven voor de adel die vooral bezig waren met hun eigen gewin. Het was ons allemaal duidelijk: wij konden de vrede niet sluiten, dat moesten de hogere adel doen, maar de hoop was dat met deze adviezen, gespekt met subtiel dreigende alternatieven als het niet zou gebeuren, de adel zich geroepen voelde nu eens werk te gaan maken van vrede (want anders...)

Twee broers, gekleed in lompen, kwamen de herberg in gestrompeld. De herbergier stond op het punt ze eruit te gooien, maar Zaphira bood aan om hun overnachting en een maaltijd te betalen. "Een goede nachtrust, en een volle buik, en morgen ziet de wereld er vast beter uit." In de dagen die volgden konden de broers nieuwe kleren vinden, kregen ze gereedschap gedoneerd en geleend zodat zij hun houthandel weer op konden bouwen. Vervuld van nieuwe moed waren zij inmiddels op zoek naar investeerders zodat ze hun leven weer op konden pakken.

Toen de avond viel, was daar ineens een bebaarde man, gekleed in het rood. Hij praatte met een demon en sloot een overeenkomst. "Ik wil dat de naam Zwarteheide groot wordt." zei de man stellig. De demon stak zijn hand uit, en de man schudde de hand.
Dat was niet eens de laatste rare verschijning. Er kwamen steeds meer rare verschijningen revoorschijn rondom de herberg. Het was niet helemaal duidelijk waar ze vandaan kwamen, maar eentje moest Zaphira hebben.
Het was een sterke man, met witte en gouden schilderingen op de linkerslaap en wang. Hij droeg een stuk pantser rond zijn hals, een gorget, met daar overheen een spierwit schaap. Zijn gewaad was wit, en hij gebaarde met zijn linkerhand terwijl hij sprak.
Om zijn linkerpols blinkte de armband.
De armband, het laaste stuk van de drie sieraden van de keizerin. De armband waarvan ze het altijd jammer had gevonden dat die terug was gegaan naar Iis. En nu was die hier?
"Wie ben je?" vroeg ik.
"Mijn naam is niet belangrijk." zei de man. "Maar ik ben hier voor jou."
"Voor mij? Waarom? Hoe dan?" vroeg ik.
"Deze plek is speciaal." zei de man in het wit. "Daarom kan ik nu aan je verschijnen. Vanwege ..." Hij verkrampte eventjes, alsof een pijnscheut door zijn lijf ging, en vertelde daarna verder.
"De contracten, de vloek, jouw bloedlijn. Je hebt twee keuzes. Of jij maakt de claim, of je vindt een andere sterveling om het voor je te doen." Een rilling ging door zijn lijf, meer pijn. "Dat is de enige manier om het contract te beëindigen of te veranderen."
Ik slikte. Pakte zijn hand vast. "En wanneer krijg ik deze?" doelend op de armband.
"Daarna."
Zaphira zuchtte even. "Je bent niet helemaal wat ik verwachtte." Ze doelde op de verschijning. Ergens had ze altijd vermoed dat er een keer een demon voor haar neus zou staan. Niet...dit. Wat dit ook was.
"Ik ben de laatste tijd veranderd." zei de man. Zijn toon leek neutraal. "Daar heb ik jou voor te danken. Jouw acties."
Zijn gezicht vertrok van de pijn, en langzaam verdween de man in het donker. Ik bleef achter, zijn woorden overpeinzend. Om me heen zweefden schimmen langs en door de avonturiers, maar ik zag ze niet.

De huldiging zelf was 's avonds. De adellijke dame en haar scribent namen plaats achter de tafel en de avonturiers zochten een plekje. Jonkheer Cornelius was hoffelijk genoeg om mijn stoel aan te schuiven. Eén voor één werden de avonturiers naar voren geroepen. We kregen en oorkonde, een zegel, en een beloning in kristal.
Na de ceremonie waren er verschillende avonturiers die bij de scribent namen kwamen aandragen. Niet alle avonturiers waren op de oproep afgekomen, en er waren nog meer mensen die een bedankje moesten krijgen. Met Ridder David en Harman overlegde ik wie er nog recht hadden op deze erkenning. We spraken af dat ik de dankzegels van Abe Bijlmans en Stanislav mee zou nemen.

Tijdens het gevecht kwam een vrouw in officieel tenue aanrennen. Ze riep om Zaphira.
"Ik ben Zaphira."
"Ah mooi, ik heb een brief voor u."
Even keek ik over mijn schouder. De avonturiers leken stand te houden maar de boswezens waren wild aan het knokken. De bode drukte een opgerold stuk perkament in mijn handen, en voor ik haar kon vragen wie mij een brief zou sturen, was ze alweer vertrokken.
"Zaphira!" werd er vanaf het veld geroepen. Ik propte de brief in mijn mandje en ging snel naar de avonturiers toe. Eén van hen lag bloedend in het gras.
Hm. Als ik met bebloede handen in mijn mandje zou graven naar verband, zou de brief vies worden. Ik gooide de brief oneerbiedig op het gras en begon met de wonden te verbinden. Toen zag ik meester Raistlin staan. "Meester Raistlin! Kunt u mijn brief even vasthouden?" vroeg ik hem.
Raistlin pakte de brief vast aan één kant en de rest van het perkament ontrolde zich. Onderaan de brief prijkten twee grote zegels. Dat zag er officieel uit!
Ik schudde mijn hoofd. Eerst Algar maar verbinden. De brief kwam later wel.

Ik schoof aan tafel bij Ridder Septimus en Jonkheer Cornelius. "Wat maakt u hiervan?" vroeg ik hen.
Septimus keek over zijn bril naar mij. "U begrijpt dat ik nu niet meer van volhouden dat ik hier niets vanaf wist."
Ik knipperde verward, maar Septimus ging verder. "Dit is een heel raar verhaal. Dus u heeft een status in Iis, maar deze brief wijdt er niet over uit wat deze status is. Maar vervolgens zeggen ze wel dat in Annalusië deze status gelijk is aan die van een Jonkvrouwe."
"Daar ben ik het niet helemaal mee eens." Ik stopte wat losse haren achter een oor.
Septimus bestudeerde de brief nog eens en knauwde op een nagel.
"Wat ik ook bijzonder vind;" zei ik; "is dat blijkbaar de diplomatieke betrekkingen tussen Iis en Annalusië zodanig zijn dat ze zo'n brief uitgeven. Iis erkent Annalusië als onafhankelijke staat."
Septimus wees over de tafel naar mij, alsof ik het snapte. Toen knipperde hij even en legde hij die hand weer in zijn schoot. "Dit is een hele vreemde brief."
Hij gaf de brief door aan Cornelius, die de tekst en de zegels erop bestudeerde voordat hij de brief weer aan mij gaf.
"Hoe berg je zo'n brief eigenlijk veilig op?" vroeg ik.
"Opvouwen." zei Septimus. "Als je hem oprolt laten de zegels op een bepaald moment los."
Braaf vouwde ik de adelbrief in vieren en stopte ik het in mijn boekje.

Eén van de eersten die ik benaderde met het nieuws van de witgeklede man was Harman. Hij wist ook niet precies van hoe of wat, maar hij snapte mijn overtuigingen wel.
"Ik kan dit niet aan iemand anders doorgeven. Mijn grootste angst is altijd geweest dat ik een familie had, voordat ik mijn geheugen verloor. Dat die contracten op mijn kinderen over zouden gaan. Dat sta ik nooit toe. Ik moet dit doen."
Harman knikte. Hij begreep het precies. Onze paden waren bijna elkaars spiegelbeeld. Hij was bang dat hij ooit in een adellijke rol geduwd zou worden door zijn familie. Ik had hem altijd op het hart gedrukt dat hij voor dat zou gebeuren moest bedenken wat hij zelf wilde met zijn leven. Makkelijker gezegd dan gedaan.

Ridder Boudewijn had het druk, en ik had hem al een tijd geleden gevraagd om tijd voor me te maken, maar het kwam er lang niet van. Uiteindelijk namen we plaats op een bankje voor de herberg en kwam het ervan. Mijn subtiele hints van eerder hadden zijn interesse gewekt, en hij luisterde rustig naar mijn verhaal.
Ik vertelde hem alles, beginnend met hoe ik opgevangen was door de Orde van de Eenhoorn, die mij naar de avonturiers hadden gebracht. Hoe ik ervoor gekozen had om bij de avonturiers te blijven, die me een naam hadden gegeven en bereid leken te zijn verder te zoeken. Hoe onze reizen naar het klooster van de Hoeder had gebracht, wat in aanbouw was nabij het archief. En hoe we in het archief veel geleerd hadden over het oude keizerrijk Osdorkxa.
Over de ring, en de ketting, en de armband. De armband die door de expeditie uit Iis was meeegenomen toen zij op zoek gingen naar degene die opgestaan was.
Wat het dragen van de ring betekende. Wat de ketting betekende. En wat de ring en de ketting en de armband betekenden.
"Alleen iemand uit de directe bloedlijn van de keizerin kan de hele set veilig dragen. Ik weet niet wat er was gebeurd als ik dat niet was." zei ik, mijn schouders ophalend. "Maar toen ik eenmaal de hele set droeg, was er een warme gloed. Het was fijn om ze te dragen. Heel fijn."
De ogen van Ridder Boudewijn werden groter. Ik praatte verder; "De juwelen waren onderzocht door Animia, op hun magische effecten, en door een constructeur. Maar er waren geruchten geweest dat de keizerin zelfs aartsvijanden aan één tafel kon laten plaatsnemen, omdat zij zo'n invloed op mensen had. Na het dragen van die drie juwelen, begrijp ik een stuk beter hoe één persoon zo'n invloed uit kan oefenen. Het was net alsof er een aura van vrede uitging van de drie juwelen als ze samen gedragen werden."
Ridder Boudewijn stelde nog een paar vragen, en ik beantwoordde ze naar eerlijkheid. "Ja, ik besef me maar al te goed dat in deze oorlog, waar twee partijen lijnrecht tegenover elkaar staan, deze juwelen het verschil kunnen maken om vrede te sluiten. Maar het kan ook betekenen dat de twee eindelijk beseffen dat zij allebei een nog grotere vijand hebben, en hen verenigen in een oorlog tegen een keizerin." Ik haalde mijn schouders op.
Ik vertelde over het wezen, de man die me bezocht had - een servitar, volgens Luca - en zijn boodschap, en ook dat ik het niet kon verkroppen dat ik dit iemand anders uit mijn bloedlijn zou aandoen.
"Als u dit doet, als u opstaat als keizerin, en het lukt u;" zei Ridder Boudewijn; "Wees u er dan ook bewust van dat er mogelijk mensen uit uw verleden zullen opstaan, en u op komen zoeken."
Ik hield mijn handen hulpeloos voor me. "Dat is zo. Maar ik kan hen slechts op één manier beschermen van dat wat er in mijn bloed zit: dit lot zelf dragen. Ik *kan* dit niet aan iemand anders aandoen."
"Ik kan u met stelligheid beloven: ik sta achter u." zei Ridder Boudewijn, zijn blik serieus. "En niet alleen dat. Ook mijn Orde staat achter u. Wij dienen de Vrouwe der Verandering, en ik hoor aan uw woorden, en aan wat u zegt en hoe u het zegt, u deze verandering op een goede manier wilt bewerkstelligen."

Ridder Boudewijn was niet de enige met wie ik een diepgaand gesprek wilde voeren. De volgende was de eerwaarde Gaius van der Weide, een (hoge?)priester van de Vader der Vergankelijkheid. Hij zeeg neer op een bankje in een hoekje van de herberg waar we niet snel gestoord zouden worden omdat we uit het zicht zaten.
"Ik moet zeggen dat ik mijn twijfels had toen u vroeg om met mij te spreken." zei de priester.
Ah. Dat kon ik me voorstellen. De dagen ervoor had ik met hem gesproken maar hij was in die tijd erg handtastelijk geweest; hij legde zijn hand op de arm, de knie, de schouder van zowel mannen als vrouwen. Tijdens een eerder gesprek had ik hem gevraagd daarmee te stoppen, maar dat zorgde ervoor dat de beste man zo ongemakkelijk op zijn stoel zat te schuifelen, dat ik bijna wanhoopte. Toen ik later voor hem langs liep, zag ik zijn hand naar mijn bips reiken, en was ik snel doorgelopen. Maar waar hij op doelde was mijn uitbarsting, waarin ik hem toegesproken had dat als hij nog een keer zou proberen me in mijn billen te knijpen, ik hem een klap in het gezicht zou geven.
Pas later hoorde ik dat de priester bezeten was geweest door een Fae en zijn acties niet onder controle had gehad. Op het moment dat ik hem confronteerde was de Fae net verdreven, en ik had een onschuldige man -- nee, een onschuldige hogepriester! nota bene -- verweten van een rokkenjager te zijn. Geen wonder dat hij zijn twijfels had.
Nadat ik mijn excuses had aangeboden voor mijn uitbarsting, en hem verteld had van wat er voorgevallen was, snapte Eerwaarde Gaius het veel beter. "Zand erover. Laten we het vergeten."
Opgelucht dat dit nu achter ons lag, begon ik mijn verhaal. Ik vertelde Eerwaarde Gaius minder over mijn verleden dan Ridder Boudewijn, en richtte me vooral op de bloedlijn en de juwelen. De verdere boodschap was hetzelfde. "Ik moet er niet aan denken dat er iemand anders deze last zou moeten dragen."
Eerwaarde Gaius zei niets toe op dat moment, maar hij beloofde mijn verhaal mee te nemen naar zijn Orde. Hij wilde me wel nog wat advies geven.
"U moet een hofhouding gaan samenstellen. Een genezer die u op uw pootjes zet als u gewond raakt. Een hofmagiër, een priester. Heeft u mensen die u steunen?"
Ik knikte. "Ja, die heb ik. Een aantal van deze avonturiers staan achter mij."
Er viel een korte stilte, en ik probeerde mijn gedachten onder woorden te brengen. "Als er... in de toekomst... slechts één ultimatum geëist wordt. Als er *iemand* is..." het kostte moeite om de juiste woorden te vinden, en ik begon opnieuw. "Als de enige manier om het volk te redden is dat ik mijn leven moet geven, dan geef ik dat graag." Ik had hetzelfde tegen Ridder Boudewijn gezegd, en tegen Harman. Deze oorlog duurde al te lang, en door op te staan als Keizerin, door mijn titel te claimen zoals de servitar mij had gevraagd... het was een zeer reeële optie dat vrede alleen bereikt kon worden door drastische maatregelen. Het allerlaatste wat ik wilde was dat de oorlog voort zou duren, het land nog verder zou verscheuren, en het volk nog meer zou lijden. Alles liever dan dat.
Eerwaarde Gaius stond op, en klopte zijn gewaad af. "Laten we hopen dat het niet zo ver komt. Bouw uw gevolg, dat is alles wat ik u kan aanraden op dit moment."

De magieloze zone leverde ook problemen en werk op. Ik had 's ochtends een wandeling gemaakt met Harman, Hilde en een Zoltanaxaan. Ik was de enige die geen Zoltanax sprak, dus ik richtte me op het zoeken van kruiden. Misschien iets om in de toekomst te leren, net als Pallax.
De geneeskrachtige kruiden die ik nodig had om wonden te genezen gingen er rap doorheen. Mensen en elven waren druk bezig met het uitzoeken waar die magieloze zone begon en eindigde en waardoor deze veroorzaakt werd. Daar bemoeide ik me vooral niet tegen aan. Er was ook iets met de inspiratiepaden aan de hand.
In de herberg sprak Jarek me aan. Hij was in een gevecht gewond geraakt. Hij zou niet direct doodbloeden, maar of ik wel iets aan zijn borst kon doen.
"Ik kan het hechten..." zei ik vertwijfeld. "Een pap van geneeskrachtige kruiden of een dierlijke olie om de genezing te bevorderen."
"Niet nodig." zei Jarek resoluut. "Brand het maar gewoon dicht met het lemmet van een mes."
Hij wilde echt duidelijk niet gehecht worden. Ik zocht een paar kaarsen om mijn dolk mee te ontsmetten en te verwarmen. Jarek trok met moeite zijn bebloede en aan flarden gescheurde tuniek uit. Ik slikte eventjes, zijn borstkas was een massa van wonden en bloed. Met een vochtige doek smeerde ik het bloed meer uit dan weg, maar ik kon de wonden goed zien zitten.
Toen het hete lemmet zijn vlees raakte schreeuwde hij maar kort.

(ik weet niet zeker meer hoe lang hierna Jarek langskwam met zijn volgende vraag, mogelijk later diezelfde avond?)

Hij hield een hand omhoog, en op de rug van zijn hand stonden blauwe tekens.
"Ik heb wat met de inspiratiepaden gedaan, en nu heb ik dit. Ik vraag me af of je even kan kijken of het niet mijn gezondheid aantast."
Ik knikte, en begon hardop de mogelijkheden te doorlopen. Ik kon zijn hartslag controleren om te kijken of die versneld was, zijn reflexen testen, en...
"Ik begin even met je hartslag te meten." zei ik, terwijl ik de pols pakte van de hand waar het blauwsel op zat.
"Oh, dan moet ik even de andere kant op kijken." zei Jarek droogjes.
Ik was even afgeleid. Jarek's hartslag was daadwerkelijk iets sneller dan normaal, maar wat had dat te maken met de andere kant op kijken? Zou het zo zijn dat zijn hartslag versnelde als hij naar mij keek?
Ik rondde mijn onderzoek snel af. "Ik kan niet zo direct iets vinden, maar mochten de symptomen erger worden, kom dan nog even terug."
De avond verliep verder rustig. Het was opvallend dat Luca, preutse, voorzichtige en propere Luca wel heel dicht tegen een dame aan zat.
Ik liep later op de avond in gedachten verzonken de herberg weer in.
"U zei dat ik me nog even moest melden als mijn symptomen erger werden?" zei Jarek. "Nou, ze worden erger."
Ik schrok direct uit mijn gedachten, en boog me over zijn symptomen.

De volgende ochtend kwam Luca net met zijn bordje aanlopen voor het ontbijt, en ik vroeg of ik hem een vraag mocht stellen. Wat er de avond ervoor met Jarek was gebeurd speelde nog door mijn hoofd. Luca, propere Luca, zou vast begrijpen waarom ik daar wat moeite mee had.
We namen plaats en ik vroeg voorzichtig naar zijn avond. "Het leek alsof je het wel naar je zin had."
Luca stak direct van wal. Op zijn gezicht stond een tekening van geel en wit en goud, een heldere zon, wellicht een verwijzing naar de Heer van het Licht die Luca diende? Luca sprak over zijn visioen, hoe hij voor het warme licht, in de gloed van de Heer had gestaan. Hij sprak opvallend gedreven, vol vuur. En toen ineens zei Luca de magische woorden: "de inspiratiepaden".
Luca was onder de invloed van de inspiratiepaden! Daarom was hij zo vol van wat hij meegemaakt had. Daarom was hij zo halsoverkop dingen gaan doen die duidelijk niet bij hem pasten! Ik knoopte de losse eindjes in mijn hoofd aan elkaar en zuchtte even diep. Jarek was ook met de inspiratiepaden bezig geweest. En Luca was duidelijk niet zichzelf. Jarek was ook onder de invloed van de inspiratiepaden geweest en ik was niet degene die zijn hart sneller deed kloppen. Of wellicht werd dat effect alleen maar verergerd door de inspiratiepaden...
Luca vroeg niet eens meer waarom ik hem wilde spreken, en ik verliet de tafel om snel vrouwe Isabella te gaan zoeken, om haar te waarschuwen dat Luca niet helemaal zichzelf was. Dat leek ze wel te waarderen. Ik vond het niet gepast om me te diep in hun relatie te gaan verdiepen, maar dat ze haar hart gebroken zou krijgen puur omdat Luca met de inspiratiepaden had gestoeid, dat was het ook niet waard.

Diezelfde ochtend had ik nog even een gesprek met de herbergier. Hij had wat dingen opgevangen die ik graag ook wilde horen. Hij had in de wandelgangen iets opgevangen over een mens-draak hybride. Dat was iets waar ik alleen maar van wist vanwege wat de servitar van de Spil jaren geleden tegen me had gezegd. "Ze hadden draken en mensen gecombineerd om een nieuw ras te creeren." Dat had iets met het oude keizerrijk te maken. Helaas wist de herbergier niet meer wie het gezegd had.

Ridder Septimus vond het een intrigerend iets, dat ik een niet nader gedefinieerde status in Iis zou hebben. "Ik heb een voorstel, wellicht kunt u me daarbij helpen. Ik zou een bibliotheek en burcht willen bouwen, een dependence van de IJzeren Toren, op het grondgebied van Iis. Vlakbij de grens, u snapt het wel. Het doel is om kennis te delen. Kunt u mij helpen een brief op te stellen?

Terwijl de avonturiers richting de scheur in het inspiratiepad gingen om dat te repareren, stonden er ineens een viertal boswezens voor de deur van de herberg. Ze waren mansgroot, veel groter dan boswezens normaal gesproken zouden zijn. Ze droegen wapens en waren niet vriendelijk. De herbergier wees op de dolk in mijn mandje en ik knikte dat hij zich ermee mocht verdedigen. Pas toen hij de dolk uit de schede haalde bedacht ik me dat ik mijn magie niet in de herberg kon gebruiken. Ik kon mezelf dus niet eens verdedigen!
Een regen van eikels en takken denderde op het dak. De boswezens haalden uit naar de herbergier. Eén van de wezens blies boos naar me, maar richtte zich toen toch tot de herbergier. Zo gauw ik mijn kans schoon zag, rende ik naar buiten. Ik hoopte maar dat ik snel genoeg kon rennen om bij de avonturiers te komen, dat ik sneller was dan de twee meter hoge das die achter me aan rende.
"Help!" riep ik. Waarom had ik in vredesnaam mijn mandje meegegrist in mijn haast uit de herberg te ontsnappen? "Help!" De herbergier en de waard waren daar nog, en ik had ze achtergelaten.
De avonturiers kwamen me tegemoet maar ze vertelden me dat ze niet terug konden gaan om de herbergier te gaan helpen. "Wij zijn nu hier nodig."
Ik keek terug naar de herberg. Ik zag Nadine, de elf, tegen een muur liggen, maar ze bewoog niet. Ik trok Ridder David aan zijn mouw. "Er liggen daar gewonden."
"Ik kan niemand met je meesturen." zei David, zijn gezicht verwrongen in een frons. Hij vond het niet leuker dan ik.
De boswezens die de avonturiers aanvielen, draaiden om ons heen. Eén van hen was een rendier op hoge poten die wel leek te huppelen.
Een iets kleiner wezen, een marter of een bever die nog steeds veel te groot was voor zijn afkomst, wenkte me. "Pssst."
Ik was vertwijfeld. Moest ik met hem mee? Dat was vast een valstrik!
De avonturiers waren nog steeds druk bezig, en het wezen bleef me wenken. Ik ging voorzichtig achter hem aan. Mocht hij zich bedenken en me toch aanvallen, dan kon de rest me nog zien. Maar na een paar passen was ik volledig vergeten dat ik dacht dat het een valstrik zou zijn. Ik rende met het wezen mee naar Nadine. Ik keek niet eens meer naar het beest, terwijl ik haar wonden stabiliseerde. Langs de bosrand zag ik nog een lichaam liggen.
"Blijf liggen." zei ik tegen Nadine. Ik had geen genezende kruiden of oliën meer om haar wonden te genezen en haar stabiliseren was alles wat ik kon doen. "Als je stil blijft liggen laten ze je misschien met rust. Hij kwam me halen..." ik wees naar het wezen. "...en er zijn er meer die me nodig hebben."
Onder een massa van boomwortels lag een man, die ik herkende. Blossom, de krijger die altijd netjes zijn hoofd boog als hij zag dat ik naar hem keek, die met zijn grote knots zombies aan stukken sloeg. Ik kreeg de boomwortels niet van hem afgetrokken, maar ik kon hem genoeg ruimte geven zodat ze hem niet dood zouden drukken.
Een derde vorm trok mijn aandacht. Jonkheer Cornelius lag nog wat verderop langs het pad, en ook hem kon ik stabiliseren. Ik hielp hem omhoog en we strompelden naar de herberg. Ik hoopte maar dat we daar geen lijk van de herbergier aan zouden treffen.

Na het gevecht liep ik nog even mijn patienten van de voorgaande dag na, of hun hechtingen nog goed zaten. Ook vroeg ik Jarek of ik nog even naar zijn borst moest kijken of zijn wonden niet open gesprongen waren. Dat vond hij niet nodig.
"Als je wil dat ik nog een keer naar je borst kijk, kun je me dat ook op een andere manier vragen." zei ik droog. "Je hoeft niet direct met monsters te gaan worstelen."
Jarek keek even geschokt.
"Ik dacht dat je wilde dat ik niet zo subtiel was." zei ik verontschuldigend. De wereld met inspiratiepaden is maar verwarrend, vooral als er mannen in het spel waren...

Nadat de gewonden genezen waren, en de cirkel om de herberg was verdwenen, pakten de avonturiers hun spullen. Ik twijfelde nog. Het zou heel fijn zijn om nog even te praten. En-Dwi (voorheen Yanis), Harman en Meester Raistlin hadden al toegezegd dat ze deel uit wilden maken van mijn hofhouding. Ik boekte voor hen allen nog een extra overnachting in de herberg, zodat we konden overleggen. De herbergier, die inmiddels ook de geruchten had gehoord van mijn status, nodigde ons uit voor een maaltijd, met een goed glas wijn en in het gezelschap van de Grootmeester handelaar Hanna en Ridder Septimus. We hadden een hoop te bespreken.

Profile

janestarz: (Default)
janestarz

April 2026

S M T W T F S
    1234
5 678 910 11
12 1314 15 161718
19202122232425
2627282930  

Tags

Style Credit

Expand Cut Tags

No cut tags
Page generated Apr. 17th, 2026 11:46 pm
Powered by Dreamwidth Studios