janestarz: (Default)
[personal profile] janestarz
Al een tijdje zit ik te hikken tegen het afschrijven van mijn verslag. Het is ontzettend lastig om te schrijven, ook omdat ik een stem geef aan een personage zonder stem -- en dus feitelijk een heleboel informatie weggeef die al dan niet in het spelletje beschikbaar was.
Desalniettemin moet ik wat druk van de ketel halen, een daarop plemp ik deel 1 gewoon vast online. Omdat ik weet dat Kat zal stuiteren als ze het mag lezen. En misschien helpt dit met het afschrijven van de rest.
Als alles eenmaal af is, groepeer ik het wel in een 'backdated entry' rond oudjaar 2016 en voeg ik het toe aan de memories. Maar voor nu: hier is deel 1 van Emphebion 52.

---------

Dit enorm gave evenement wordt mede mogelijk gemaakt door ongeveer 90% van de Wildling groep, die bestuur of spelleiding spelen tijdens het weekend. Daarnaast zetten ze ook kick-ass rollen neer, geven ze me lieve knuffels en komen ze bezorgd vragen of ik "er wel een beetje tussen kom". Dus dankjewel, lieve vriendjes, voor me blijven porren tot ik me inschreef. Het was een geweldig weekend midweek!

Dinsdag

Met een aarzeling in mijn stap liep ik door het donkere bos. De aardige man met de baard en paardestaart raakte mijn arm aan. Zijn compaan, met een bril en schouderlang haar, liep voorop. Ik keek over mijn schouder. Het laatste dorp, de laatste herberg, en daarvoor het klooster van de Orde van de Eenhoorn genoten allemaal mijn voorkeur boven de onzekerheid van deze reis. Wie kon immers zeggen wat het volgende dorp zou brengen?
"Nou, kom maar hoor;" zei Stijn vriendelijk. Hij was de rustigste van de twee. "Wie weet, misschien is er iemand die je wel herkent."
In de verte scheen licht. Een groot landhuis of misschien een herberg, met daarachter de schaduw van de dwergenbergen die hoog torenden boven het gebouw.
De deur ging open en ik werd naar binnen geleid. De warmte was als een deken, en een vriendelijke man in blauw gewaad en een volle baard stapte naar voren. "Wees welkom, komt u binnen." zalfde zijn stem. Zijn handen gevouwen voor de borst, een vriendelijk handgebaar. "Neemt plaats bij het vuur."
Ik vertrouwde het voor geen meter.

Langzaam druppelden reizigers de hoofdruimte binnen, elk met een vlaag van de ijskoude lucht die buiten hing. Laarzen werden schoongestampt en mantels zwierden en landden op de houten banken. Ik zat met mijn rug tegen de muur, en bekeek ze allemaal. Een aantal waren duidelijk van adel: een man in zwaar plaatstalen pantser, en die jonge leerling die misschien wel een magiër was, met een simpele tuniek en beenwindsels van fijne wol.
Elk van de reizigers werd verwelkomd door de man in het blauw of de dames die de bar bestierden. De broeders van de Eenhoorn wachtten rustig tot de reizigers aan tafel geschoven waren en hun diepe zucht geslaakt hadden, voor ze met hun vragen kwamen. Kent iemand deze vrouw? Het riedeltje kende ik inmiddels uit mijn hoofd. Ik knikte gelaten, zuchtte diep, en maakte af en toe een handgebaar. De meeste reizigers waren niet heel erg geïteresseerd maar bij sommigen kwam er een nieuwsgierige blik in hun ogen.

Zo ook bij een groep reizigers aan de tafel bij de deur die leidde naar de slaapvetrekken. Ze hadden hun spullen direct uitgestald en begonnen direct met het verzamelen van informatie, drank en etenswaar. Een boekje opengeslagen om wat dingen na te lezen, drank van de bar, en een stuk worst uit een buidel vulden de tafel. Het was een diverse groep; een grote dwerg met forse baard en kleurige rode en oranje slierten in zijn haar, een statige jonge vrouw in een prachtige blauwe jurk, en een glimlachende dame met bruin haar, de wangen nog rood van de kou. Als laatste twee heren, waarvan de oudere lang haar had, en de jongere man met haar over zijn oren en een guitige blik achter zijn bril.
De broeders van de Orde van de Eenhoorn gingen met hen ook het gesprek aan. "Deze vrouw kwam korte tijd geleden bij ons. Ze was gewond, verschillende brandwonden en schroeiplekken. We hebben haar natuurlijk genezen, maar het lijkt erop dat ze niet kan praten."
"Kan ze wel schrijven?" kwam de vraag van de man met het langere haar.
Ik gebaarde hulpeloos. Was het maar zo.
"We zijn nu op zoek naar iemand die haar misschien kent." Stijn keek hoofdschuddend naar mij, of ik misschien iemand herkende. Maar keer op keer was het hetzelfde liedje. Ik kende niemand.
"Ben je je stem kwijt?" vroeg de jongeman met de bril, die gelijk naar voren boog. "Wil je misschien mijn stem lenen?"
Ik keek vertwijfeld naar de broeders die met mij meereisden. Was zoiets wel mogelijk? Ik wist het niet eens. Was dat niet vreselijk gevaarlijk? Langzaam schudde ik mijn hoofd.
"Ik ben Herfst." stelde de guitige man zich voor. "Wie ben jij?"
Het gesprek aan tafel viel stil, alle ogen richtten zich op mij. Mijn rechterhand ging naar mijn borst, een vertwijfelde tik, en dan...een open hand die een hulpeloos gebaar maakte. Ik wist het ook niet.

Herfst had een prima plan gehad, een ritueel te doen waarin hij in mijn dromen kon kijken. Ik kende de techniek uiteraard niet, maar nu ook deze reizigers en in deze herberg er geen levende of ondode ziel was die mij herkende, begonnen we redelijk wanhopig te worden. De broeders, in hun eeuwige berustende geduld, waren bereid om tot het einde van de landen te reizen en alle dorpjes af te gaan, maar in hun ogen las ik een wanhopige berusting van mijn lot. Ze hadden zo voor me gehoopt, maar geloofden eigenlijk niet dat het ooit nog zou gebeuren.
Ik vouwde mijn wollen dekentje op en legde mijn hoofd erop. Bij de haard waren een aantal comfortabele banken en tot nu toe waren er geen andere reizigers of avonturiers geweest die er plaats wilden gaan nemen. Wel had ik een sterke man, de houthakker waar ik eerder mee gesproken had, gevraagd in mijn beste handgebaren of hij een oogje in het zeil wilde houden. Zijn frons sprak boekdelen, nog eloquenter dan mijn handgebaren: hij vond het maar niks, en zou wel eens goed kijken wat er nu allemaal ging gebeuren. Ik vertrouwde erop dat hij in zou grijpen als Herfst rare fratsen uit zou halen.
Langzaam zakte ik in een diepe slaap.

De droom bracht me naar een kamer met een pruttelende ketel op een klein vuurtje. Ik was iets aan het koken of brouwen, en mijn handen bewogen als vanzelf. Met precisie strooide of gooide ik de ingrediënten in de ketel.
Er ontstond een kleine wolk van damp boven de ketel, die vlam vatte. Ik deinste terug van schrik, maar achter mij stond een hoge kast. Doordat ik ertegenaan bonsde, wankelde de kast en viel de inhoud ervan over mij en de ketel voor mij heen. Een nog grotere explosie was het gevolg.
Ik opende mijn ogen, onbewust dat het nog steeds een droom was. Om mij heen de ravage van het huisje. Ik begon te rennen, maar mijn lange baard verhinderde mijn voortgang. Ik struikelde en probeerde weg te komen van deze nachtmerrie, maar het was alsof ik vastgebonden was.

Even later schrok ik wakker uit de nachtmerrie. Het duurde even voordat ik wist waar ik was. Gelukkig waren de broeders van de Eenhoorn dichtbij, en achter hen het fronsende gezicht van de bezorgde houthakker.
"Je bent niet toevallig een dwerg?" vroeg Herfst.
Ik schudde mijn hoofd, voelde aan mijn kin. In de droom -- of nachtmerrie -- had ik toch een baard gehad? Hoe kwam dat dan?
"Nou, maar....volgens mij weet ik wel je naam. Saffier." zei Herfst triomfantelijk. "Kijk, want deze steen trok ik uit mijn buidel terwijl je lag te slapen. En dit is het teken voor metaal, dus je zult wel een dwerg geweest zijn. En Saffier is een mooie naam voor een vrouwelijke dwerg. Vraag maar aan Baldyr."
"Saffier?" de houthakker keek sceptisch.
Herfst vertelde wat hij in de droom allemaal gezien had. Dat er een ketel was geweest die was ontploft, waarna het huisje ook was ontploft. De broeders van de Eenhoorn knikten ernstig, alsof dat mijn verwondingen zou verklaren.
"Saffier? Is dat je naam?" vroeg Stijn vriendelijk.
"Misschien wel beter dan Vrouwke." Zijn compaan glimlachte bemoedigend. "Zo noemden wij haar tot nu toe. Wat denk je ervan?"
Ik trok mijn neus op. Bijna alles was beter dan Vrouwke, maar Saffier...?
"We kunnen er altijd nog iets anders van maken. Safira of Zafira?"

En zo ging de avond verder. Nu de eerste avonturiers geprobeerd hadden om te kijken wat er nu precies met mij aan de hand was, wilden ook anderen een poging wagen. Bijna allemaal, behalve natuurlijk de alchemist die in het gezelschap aanwezig was.
"Of ik even kan kijken welk drankje ze aan het brouwen was? Meneer, u heeft duidelijk geen kaas gegeten van alchemie, dus ik zal het u uitleggen. Elke alchemist heeft zijn eigen recept. Dat ik een drankje brouw met twee kruiden en een snufje zout betekent niet dat zij dezelfde componenten nodig heeft om hetzelfde effect te bereiken. Het is allemaal veel ingewikkelder dan dat, en ik denk dat u dan ook wel begrijpt dat ik niet even deze kwestie kan oplossen. Goedenavond!"
De leerling onderzoeker die er uitzag als de tweede zoon van een adellijke heer, probeerde een ritueel te doen, en ook een in het rood geklede magiër deed een poging. Het mocht allemaal niet baten, want veel meer informatie kregen ze niet boven water. Eigenlijk was er ook geen enkele aanwijzing dat de droom de waarheid had laten zien, maar we moesten toch ergens beginnen. Het enige wat de magiër voor elkaar kreeg was dat eigenlijk alle personen die aan tafel hadden plaatsgenomen om zijn voortgang te bekijken verblind werden door het licht wat ontstond in zijn ritueel.

Woensdag
Die nacht sliep ik gelukkig een stuk rustiger dan bij het haardvuur, en alhoewel het idee van een lange baard nog steeds de rillingen over mijn rug lieten lopen, had het mijn dromen niet meer aangetast. Ik liep wat tussen de verzamelde reizigers rond, en snuffelde buiten de frisse lucht op. Het zonnetje was een genot, en al snel was ik vrolijker dan voorheen. De avonturiers leken best begaan met mijn lot, en de grijs geklede dame die op het grasveld een soort dansles stond te geven knikte vrolijk toen ik me aansloot bij haar leerlingen. De bewegingen die ze voordeed waren lastig, maar al snel kon ik de stappen net zo goed als haar twee jonge leerlingen.

De statige dame in de blauwe jurk -- haar naam was Winter -- nodigde me uit om mee te gaan het bos in. Daar werd ze verwacht op een theepartijtje.
Ik vond het wel spannend. De broeders van de Eenhoorn hadden afscheid genomen, nadat ik ze met gebaren duidelijk had gemaakt dat ik met de avonturiers verder zou zoeken naar mijn herinneringen en mijn stem. Maar iedereen leek verder druk bezig, en een gezellig theekransje was vast geen slecht plan. Wel vond ik het spannend om zomaar het bos in te lopen -- zouden we niet verdwalen?
Blijkbaar was Winter daar veel minder bang voor. Ze regelde nog een paar anderen, waaronder de danslerares en een sterke man in een lange leren jas. Zijn lange haar en blauwe ogen waren me de avond ervoor al opgevallen, maar ik had geen tijd gehad om met hem een praatje aan te knopen. Wel leken mijn ogen hem steeds op te zoeken, waar in de herberg hij ook was. Maar wat kon ik eraan doen? Zonder stem of weet van wie ik was zou hij me vast niet zien staan. Als hij mijn kant op keek, keek ik snel weg, of plukten mijn handen aan mijn jurk. En nu mocht ik achter hem aan de paden verlaten, op zoek naar ons theekransje. Zijn naam was Roland Wildekind, maar al snel was hij uit mijn gedachten verdwenen.
Ineens stond daar een wezen met lange puntoren en twee kleine horentjes die uit zijn voorhoofd groeiden. Winter ging het gesprek met hem aan, en hij leidde ons naar een kringetje van omgevallen boomstammen, waar hij blijkbaar verwachtte om met ons thee te drinken. Er werd chocolade uitgedeeld en het gesprek begon. Het wezen heette Puck en had niet alleen een guitige blik maar ook een duidelijke mening over alle gespreksonderwerpen. Maar misschien had hij bij sommige dingen alleen een mening om te polsen hoe wij daarop zouden reageren.
"Zij kan niet praten." antwoordde Winter, toen Puck een vraag aan me stelde. "We weten niet zoveel van haar."
"Maar ik wel." zei Puck. "Ik weet dat jullie het niet goed snappen maar je moet niet luisteren naar de dingen die ze probeert te zeggen maar ook naar de dingen die ze niet zegt. Ik weet dat ze nu Zafira heet en dat er een ongelukje met een ketel was."
En zo ontmoette ik Puck. Hij had het unieke talent dat hij veel sneller dan sommige anderen doorhad wat ik probeerde te zeggen met mijn handgebaren, wat volgens hem kwam omdat hij ook luisterde naar de dingen die ik niet kon vertellen. En Puck? Puck was blijkbaar een Fae.

Eenmaal terug in de herberg vroeg Dorian of het misschien een plan was om een ritueel te doen, waarbij een stukje van Juno (Lente) en een stukje van mij zouden samensmelten. Daarmee zou het misschien mogelijk zijn om meer informatie te delen.
We kropen op de banken bij de haard en probeerden te ontspannen. Dorian leidde ons de meditatie in. Na alles wat de vorige dag geprobeerd was door magiërs en ritualisten was het ontspannen en zweven op de monotone stem van Dorian niet moeilijk meer. Al snel was ik aan het dromen. Ik bevond me in een kamer waar op een klein vuurtje een bekende ketel stond te pruttelen.
Tegenover me stond Juno, de priesteres van de Lente. Ze glimlachte bemoedigend. Ik probeerde te praten, probeerde het haar te vertellen, maar het lukte niet.
Angst overviel me. Het gevoel van machteloosheid waar ik al weken mee rondliep groeide overweldigend groot. De angst verlamde me.
Het voelde als koude regen en wind, zonder schuilplaats.
Alsof je bedolven werd door een berg, zonder de kracht om de ballast van je af te werpen.
Alsof je ingepakt zat in een klamme, natte, koude deken. Verstrengelend, beklemmend, verstikkend.
Wat nu als het nooit meer goed zou komen? Al mijn gedachten, al mijn emoties, voor altijd versleuteld achter mijn stem die weigerde mee te werken?
Dorian geleidde me terug naar het haardvuur, zijn kalme stem als baken waar ik mijn gedachten en dromen aan verankerd had. Toen ik mijn ogen opende, bleef ik even liggen. Er was nog een heel klein stukje van Juno wat ik kon voelen. Onze gedachten hadden elkaar geraakt, onze harten waren heel eventjes één geweest. Dat zij mijn vriendin was, was een geruststelling.
Dorian bleef eventjes stil. "Het is moeilijk hè? Maar we geven het niet op." Hij pakte eventjes mijn knie vast. "We blijven het proberen, net zolang tot we de oplossing gevonden hebben."
Ik knikte. Ik had met mijn gebaren inmiddels duidelijk gemaakt dat ik zoveel emoties had, dat ik niet genoeg handen had om ze te uiten. Dat was al een hele worsteling geweest. Dat er nu mensen waren die mij gingen helpen, was al een klein beetje een geruststelling.

We lieten het haardvuur voor wat het was en namen weer plaats aan de grote tafel waar alle spullen van de seizoenspriesters lagen. De boeken van Dorian en Juno, de wapens van Baldyr, en verzamelde prutjes van Herfst. Juno schoof een boekje mijn kant op. "Misschien helpt het als je kunt schrijven. Dan kun je in ieder geval je emoties uiten. Kun je schrijven?"
Ik maakte een hulpeloos gebaar. Misschien had ik het ooit gekund, maar ik kon het haar niet vertellen.
Juno deed voor hoe ik een potlood tussen mijn vingers moest klemmen, maar ik kreeg het niet echt voor elkaar. Het natekenen van de vorm op papier kostte veel moeite.
"Misschien met je andere hand?" stelde ze voor.
Ook met mijn andere hand werd het er niet beter op. Ik krabbelde de vormpjes na, en langzaam werden de lijnen netter. Ik verloor mezelf in de trance van het tekenen, terwijl om me heen -- zoals zo vaak -- het gesprek over mij boven mijn hoofd werd gevoerd. De andere seizoenspriesters theoriseerden, en ik krabbelde verder. Mijn naam werd genoemd, en ik volgde het potlood met mijn ogen. Als in een droom tekende ik vormpjes, de ene nog mooier dan de ander. Het potlood trilde, en het gesprek ging door.
"Gaat het al iets beter?" vroeg Juno vriendelijk.
Tussen alle aaAAa's op het papier was ik ineens overgegaan in andere vormen. Van aaAAa had ik aaAAaafira gemaakt.
Juno tekende een F op het papier. Het zei me niks. Ik probeerde het na te tekenen, maar de F was erg lastig. Zoveel rechte lijnen. Ik wisselde van hand, maar het maakte geen verschil.
"Kom eens." zei Herfst. Hij voegde zijn eigen krinkeltjes toe aan het papier. "Dat ben ik, Morcur. Eigenlijk heet ik niet Herfst, dit is mijn naam."

Ik gebaarde driftig naar de mensen om me heen. Juno was bezig op een nieuw vel om een aantal woorden op te schrijven. Sommige dingen kon ik nog steeds niet uiten, sommige woorden zo moeilijk om uit te beelden. Moeilijk, belangrijk, ingewikkeld. Niemand snapte me als ik met handgebaren wilde zeggen "helpen" -- en dat terwijl ik graag wilde helpen. Alles om maar iets nuttigs te kunnen doen, geen slachtoffer meer te zijn. Ik wist met gebaren uit te leggen dat abstracte concepten heel moeilijk waren om te vertellen. Blijdschap was een glimlach. Verdriet het spoor van een traan op je wang. Vriendschap een warme omhelzing. Maar woorden als 'belangrijk' of 'moeilijk' zijn werkelijk onmogelijk om uit te beelden. Dus ik wilde ze graag opschrijven. Met mijn linkerhand had ik een grijs potlood vast en met mijn rechterhand een blauwe. Nu de kennis langzaam vrijkwam schreef ik met twee handen tegelijk twee woorden tegelijk. Soms een letter omstebeurt, hand voor hand.
Baldyr pakte het boekje over. "Volgens mij bedoelt ze dit." hij schreef 'Je lul is slap' in het boekje. Hij ging vrolijk verder met obscene termen op te schrijven. Want tja, "slap ouwehoeren" was ook zo'n moeilijke term om uit te beelden.

Donderdag
De volgende ochtend liep ik achter Herfst aan naar buiten. Hij was duidelijk op zoek naar een plekje op het gras, en keek om. "Wil je helpen? Nou, ja, dat mag wel! Maar ik weet niet zo goed.... hmmm."
Hij trok sporen in het gras, waar de rijp de grassprieten dik maakte. Hij was op zoek naar een plek zonder sporen, maar waar hij ook liep kwamen er nieuwe sporen in het gras. Hij gaf het op en maakte uiteindelijk een paar speciale tekens in het gras voor zijn voeten.
"Goed opletten hè?" zei hij. Ik knikte.
Met twee armen geheven riep hij iets richting het bos. "Daar gaan we! Allemaal klaar?"
En hij ging los. Met wilde gebaren zwaaide hij richting de bomen. Geleid door onhoorbare muziek gaf hij de maat aan, dan weer met links en dan weer met rechts, zijn lichaam dansend op de muziek die alleen hij kon horen. Terwijl hij voorover boog keek hij onder zijn rechterarm door of ik nog wel aan het opletten was. Ik grinnikte blij, het was zo'n absurd gezicht. Toen zijn ochtendconcert klaar was knikte Herfst vrolijk. "Zo! Daar krijg je het warm van!"
We waren nog geen vijf minuten terug bij de herberg toen er een aanval kwam. Blijkbaar waren niet alle Fae even blij met mensen. De Fae die het woord voerde zag er indrukwekkend uit, met wild rood haar, bijzondere schilderingen op haar huid en een bijzonder afwijzende houding naar mensen.

Binnen bleek wat er nu precies aan de hand was. Herfst, die al sinds zijn aankomst met scherp gemaakte stokken en takken aan het zwaaien was, overhandigde een brief van de vampier die onze gastheer was. Dorian las het voor. "Omdat jullie mijn gastvrijheid niet allemaal op waarde kunnen schatten, zoek ik voorlopig een ander onderkomen."
De brief ging verder met een recept voor een drankje, wat gebrouwen moest worden om een grote boze vampier uit de macht te ontzetten. Of wij daarbij zouden willen helpen.
Dit ging me allemaal ver boven de pet, maar de lijst met ingrediënten was indrukwekkend. Ik verwachtte niet dat we alles op de lijst zomaar konden verzamelen.
De kapitein vroeg Abe de houthakker om zijn mening. "Ik? Bij de vergadering aanwezig?" Abe wuifde de kapitein weg. "Mijn heer, dat is iets voor de adel om te beslissen. Ik ben slechts een houthakker."
Ik glimlachte schuchter naar Abe. Hij had toch wel een bijzondere plaats ingenomen in de korte tijd die ik hem kende. Ik gebaarde naar mezelf, maakte golven met mijn hand, en wees op hem. "Jij praat voor mij?" vroeg Abe. "Klinkt als een plan. Zeg kapitein, Zafira spreekt voor mij."

Zodoende zat ik aan tafel. De lijst kwam erbij en de items werden nog eens voorgelezen. Er was een grote discussie, die verzandde in details. Uiteindelijk vroeg ik de aandacht. Ik wees op mezelf en mijn hoofd, maakte een gebaar van 'aannemen' en vervolgens tekende ik horentjes en puntoren, en wiegde ik met mijn armen alsof ik een baby vasthad.
"Jij denkt dat we de dochter van Puck moeten helpen?" vroeg iemand aan tafel. Sommigen van de mensen begonnen me steeds beter te begrijpen.
Ik knikte enthousiast. Er werd gezegd dat de dochter van Puck in stukken uit elkaar was, dat zij met hetzelfde drankje geholpen kon worden wat de grote vampier van zijn troon kon stoten. Alle details voor de dingen op de lijst vond ik maar geneuzel. Het was belangrijker om te bepalen wat wij zouden beslissen.
De mensen overlegden, en een consensus werd bereikt. Eigenlijk was iedereen het er wel mee eens dat de dochter van Puck geholpen moest worden. De taken werden verdeeld. Een aantal mensen zou op zoek gaan naar het zaadje van een boom van een dryade, de priesters van de seizoenen zouden hun seizoen destilleren tot een puur item, en zo ook voor schuld en negativiteit. Het leek een onmogelijke opgave, maar iedereen ging druk aan het werk.

Terwijl ik met Herfst en Winter aan hun tafel zat, verscheen ineens een statige vrouw achter me. Ze droeg een grijze jurk en had lang, roodbruin haar en een blik van dodelijke ernst op haar gezicht. Ze greep nog net Herfst niet bij zijn oor, maar haar waarschuwing was duidelijk. Hij had meer respect naar koning Oberon moeten tonen.
Nadat de vrouw verdwenen was gebaarde ik dat Herfst meer moest vertellen. Hij beschreef dat Oberon en Titania de koning en koningin van de Fae waren, en dat hij bij hen aan het hof op bezoek was geweest. Met de gebruikelijke nonchalance van Herfst deed hij het af met een zucht. Mij leek het bittere ernst.
Het was niet heel veel later toen een man met lang blond haar en een lederen pantser verscheen. "De vier seizoenen zijn ontboden aan het hof."
Winter, Baldyr (Zomer) en Herfst pakten gelijk hun spullen bij elkaar en stonden op. Dorian, die tegen de muur zat, gaf een halve zwaai. Zijn tijd als Herfst was ten einde gekomen, maar het hoe of wat had ik nog niet gehoord. Juno had ik echter al een tijd niet gezien.
"Zafira, jij moet maar met hen mee, als plaatsvervangend Lente. Juno en jij zijn toch verbonden geweest."
Ik knikte. Het was doodseng, maar het hof van de koning en koningin van de Fae -- dat was nog eens een avontuur!
De blonde man -- een Fae -- nam ons mee naar de open plaats voor de herberg en gebaarde ongeduldig dat we onze handen op zijn hand moesten leggen. In een oogwenk draaide de wereld om me heen. Het voelde aan alsof ik door natte modder, droge aarde, lagen van rottende bladeren werd gesleurd, alsof ik binnenstebuiten werd gekeerd. Een paar tellen later stopte het gevoel, en durfde ik mijn ogen weer te openen. Het licht was gedempt en ik hoorde vogels. De lucht rook naar bloemen, en we werden een andere ruimte ingeleid. De waarschuwing van die ochtend nog vers in mijn oren, zonk ik in een diepe knieval om mijn respect voor het koningspaar te tonen.
Mijn hart bonsde in mijn keel en vlinders fladderden wild in mijn buik. Met moeite wist ik een paniekaanval te onderdrukken. Naast mij stond Baldyr te wippen op de bal van zijn voeten, blij als een kleine jongen met een nieuwe hoepel. Een grijs van oor tot oor sierde zijn gelaat. Zijn blijheid werkte helaas niet aanstekelijk - het duurde een tijd voordat mijn hartslag wat kalmeerde en ik de omgeving verder in mij op kon nemen.

Op een verhoging stonden twee tronen. Vooraan de verhoging stond Titania kaarsrecht, gekleed in het groen en gekroond met een groene krans van bladeren. Achter haar, op zijn troon, zat de gebochelde gedaante van koning Oberon, met twee kromme horens die uit zijn voorhoofd groeiden, gekleed in witte gewaden en huiden. Hij zat voorover gebogen, met zijn bebaarde kin in zijn ene hand en een groot wapen in de andere.
Op de rand van de verhoging zat een andere Fae, die overgroeid werd met groene ranken. Hij bewoog traag, terwijl de poortwachter met het blonde haar en de dame in het grijs ons nauwlettend in de gaten hielden. De dame in het grijs keek geïnteresseerd mijn kant op. Ze kwam voor me staan. Ik maakte een knikje, diep genoeg om veel respect te betuigen maar niet zoveel als voor het koningspaar. Titania sprak ondertussen met Baldyr over mij. "Waarom is Lente zo stil?"
Ik gebaarde, maar de grijsgeklede dame fronste en tuitte haar lippen in afkeuring. "Dit volstaat niet."
Mijn gebaren werden wanhopiger, ik wilde niet onbeleefd zijn en al helemaal niet tegen haar. Herfst had gesproken over haar, en inmiddels wist ik precies wie zij was.
Haar wijsvinger ging naar mijn voorhoofd, een vonnis in zichzelf, zo onverbiddelijk als het naar mijn huid priemde. Het leek een eeuwigheid te duren voor ze mijn huid raakte.
"Weet je wie ik ben?" vroeg ze mij. Ik knikte, ik gebaarde het vastpakken van een hand.
"Nee." zei ze. "Zeg het maar."
"..."
De woorden kwamen niet maar iets, iets in me roerde zich. Ik had het wel eens omschreven alsof de dingen uit mijn hoofd niet bij mijn mond konden komen, maar het was net alsof de Fae die voor mij stond de deur op een kiertje had gezet.
Het gesprek van het koningspaar met de seizoenspriesters ging voort, en de Fae in de grijze jurk leidde naar een hoekje waar we iets meer rust hadden.
"Zeg het maar."
In mijn haast, mijn paniek, lukte het nog steeds niet om geluid te maken.
De Fae voor me ademde diep in, en gebaarde dat ik haar voorbeeld moest volgen, dus dat deed ik. Ik probeerde het nog eens. "PpppBBpp...."
"...anshee." zuchtte ik.
Banshee knikte, een glimlach speelde om haar lippen. "En dan weet je ook wat mijn functie is."
Ik knikte, probeerde te spreken maar weer kwamen de woorden niet. Banshee ademde weer diep, haar stem was zo kalm als een kerkhof. "Rustig.....rustig....neem je tijd."

"En nu is het tijd om te gaan." zei Banshee.
De andere seizoenen waren al weg uit de troonzaal. De Fae wezen naar mijn mandje, verloren op een stoel in een andere hoek. Het duurde even voordat ik snapte dat ik mijn mandje wel mee moest nemen. Ik was nog compleet onthutst.
De poortwachter bracht ons terug naar het plaatsje voor de deur van de herberg, maar ik klemde mijn lippen nog even op elkaar. Ik wilde het Dorian als eerste vertellen.
Binnen vond ik hem in gesprek met anderen. Roland Wildekind, knappe Roland in zijn leren jas, hing op een stoel dichtbij, en hoorde het gesprek aan met een flauwe glimlach op zijn gelaat. Ik keek vanuit mijn ooghoeken naar de knappe man, hoopte dat hij een rondje ging lopen voor ik met Dorian kon spreken. Eigenlijk wilde ik Dorian alleen spreken, maar het liep anders.
Ik probeerde het gevoel van het Fae hof terug te halen, de grijns van Baldyr, de strenge blik van Banshee. De woorden wilden niet, mijn stem leek weer op slot.
Uiteindelijk lukte het om geluid te maken. "Ba..."
Achter me hoorde ik Roland een soortgelijk geluid maken -- gekscherend deed hij het geluid van een schaap na.
Iets in me knapte en ik draaide me om en rende weg. Dorian kwam achter me aan, stopte me voor ik de gelagkamer in kon rennen. "Hey, hey, let niet op hem. Je kon praten! Bijna!"
Ik huilde tegen zijn schouder en zwoer dat ik Roland Wildekind nooit meer serieus kon nemen.

Later op diezelfde avond had ze bij de bar gestaan. De bardames snapten het gebaar wat ze had gemaakt voor "thee" feilloos, en ze had zelfs al een intiem onderonsje tussen de rossige barmeid en Abe de houthakker weten te organiseren. Ze tastte in haar buidel, haar vingers omsloten iets ronds en hards. Het was niet echt koud, maar voelde glad aan, en een stem had geklonken in haar hoofd.
Het was zo'n opluchting geweest om met die stem te kunnen overleggen, dat ze eigenlijk niet eens had stilgestaan bij de vraag of dat wel helemaal normaal was. Stilletjes had ze in een hoekje gezeten en een lang overleg gepleegd. Het recept wat hun gastheer de vampier had overlegd klonk eigenlijk helemaal niet zo raar, maar om de dochter van Puck te genezen moest er toch iets veranderen.
De stem in haar hoofd had kennis aangeboord, en samen hadden ze overlegd. Een brouwseltje hier. Zo de stap van element naar seizoen. Het was allemaal zo logisch!
Maar ergens had het haar ook beangstigd. Het zat allemaal in haar hoofd, en overleggen kon ze het niet. Met niemand! Dat was toch wel een vereiste.

Dorian had het ritueel geregeld, en de jongeman met de wollen beenwindsels had tegenover haar aan tafel gezeten. Een tafel die fysiek in de herberg, maar ook in haar hoofd bevond. Daar nodigde Dorian hun geest uit om de kennis te delen. Happend naar adem, bang om de connectie kwijt te raken, had ze hortend en stotend het brouwsel uitgelegd wat zij de volgende dag zouden gaan maken. Ze klonk panisch, hysterisch, zo belangrijk was het om te delen. Ze bladerde in het boekje wat technisch gezien gewoon dicht op tafel lag, maar ook in haar trillende geesteshanden lag. Ze priemde haar vingers naar de elementen en de benodigdheden voor het brouwsel. Twee keer doorliep ze het recept...

En zo togen ze aan de slag de volgende ochtend. Met een paar gebaren maakte ze de assistent duidelijk dat hij toestemming aan de herbergier moest vragen, en toen hij terugkwam tilden ze samen alle onderdelen naar de tafel buiten de herberg. Alle avonturiers en reizigers dromden om de tafel heen. Velen van hen hadden een rol bij het brouwen. De dragers van de parels, vijf in totaal, de seizoenen, de pure emotie en de corruptie... het duizelde haar als ze aan alle stappen dacht. De kapitein had 's avonds laat nog een ketel gemaakt die nodig was.
Samen met haar assistent brouwde ze het drankje. Alle onderdelen één voor één. Tot de laatste stap klaar was.
De mensen om de tafel keken haar verwachtingsvol aan. Ze had heel hard "klaar!" willen roepen, maar dat ging natuurlijk niet.

En toen...?

Het recept had ze samen met de stem in haar hoofd gemaakt, maar dat vertelde haar alleen hoe het brouwsel gemaakt moest worden. Nu het brouwsel klaar was, had niemand enig idee hoe het precies toegepast moest worden. De mensen keken onzeker naar elkaar. Iemand moest de knoop doorhakken.
Ze was het zat. Ze konden niet eindeloos in de kou blijven staan. Eén voor één ging ze de menigte af. Haar beschuldigende wijsvinger prikte naar hun borst. "Jij?" was de vraag in haar ogen.
Ze brachten hun stem uit, wat er nu met het drankje moest gebeuren. Ze vroeg het de hele kring.
Ook de vampier, die met zijn krijgers op enige afstand stond te kijken. Ze waren immers al vier dagen te gast. Zelfs hij had een stem. Maar niemand luisterde naar hem.

De vijf parels, de vijf stukjes van de ziel van Puck's dochter, werden in een kelk gelegd. De ring ernaast. Met enige moeite goot de assistent het brouwsel over de parels, terwijl zij de kelk stevig vasthield. De verschijningen om hen heen verdwenen. Dorian en Baldyr trokken een cirkel om hen heen.
Ineens stond daar iemand bij hen in de cirkel. De ogen van Puck, die had staan toekijken, werden groot. De mooie Fay vrouw lachte breed. Toen fronste ze, en keek ze naar de ring aan haar hand. Haar lachen werd manisch, en daarna werd ze serieus.
Puck bedankte hen allemaal en nam zijn dochter mee het bos in, richting de omgevallen bomen van zijn theekransje.
Ergens was het misschien wel passend, dat de ring met corruptie bij de Fay terecht gekomen was. Want wie weet nu precies wat een Fay denkt en waarom ze dingen doen?

En zo was het avontuur die winter afgelopen. Ze had de Fay niet meer gezien, en was met Dorian, Winter en Zomer verder gereisd. Met parels in haar dromen. En het zand, wat ze niet kon vastgrijpen...

Date: 2017-01-15 09:38 pm (UTC)
From: [identity profile] wannabe-bitch.livejournal.com
*stuiter*

Haha geweldig, lig in een deuk, dankje wel ik heb genoten.
;) zal wat minder ongeduldig zijn voor 2

Date: 2017-01-15 09:41 pm (UTC)
From: [identity profile] janestarz.livejournal.com
Ach, je was niet ongeduldig hoor...of als je dat wel was had ik er geen last van! Fijn dat je genoten hebt!

Date: 2017-01-16 12:14 pm (UTC)
From: [identity profile] anemoona.livejournal.com
Mooi verhaal en fijne cliffhanger! Ik ben nu al benieuwd hoe het af gaat lopen.

Profile

janestarz: (Default)
janestarz

April 2026

S M T W T F S
    1234
5 678 910 11
12 1314 15 161718
19202122232425
2627282930  

Tags

Style Credit

Expand Cut Tags

No cut tags
Page generated Apr. 18th, 2026 01:24 am
Powered by Dreamwidth Studios