Maerquin 33 - Een Duister Verhaal
Nov. 19th, 2013 11:10 pmOndanks dat het niet gepland was en ik mijn inschrijving allang geannuleerd had omdat mijn vakantiedagen helemaal op waren, was het toch tijd om even binnen te hoppen bij Maerquin. Het balletje ging aan het rollen toen ik Voorzitter
nachtvisser belde over een brief voor Maerquin die wederom op mijn adres bezorgd werd, en de redelijk onschuldige vraag "kom je nog spelen?".
Na een kort overleg met
bigboss of ik nog welkom was, had ik het larp-virus als vanouds te pakken. Het kostuum werd opgeduikeld en doorgepast, en er moest een hoop aan gebeuren. Prompt had ik een idee voor mijn knalrode Bertie-the-Bolt wol, en dankzij een dansles die uitviel op donderdag kreeg ik - wonder boven wonder - alles nog op tijd af ook.
Na het werk zaterdag herinnerde ik mijzelf eraan dat ik eerst moest tanken en reed ik door dichte mist naar Loon op Zand. De sfeer was er prima voor: een duistere, duistere nacht, met duistere, duistere bedoelingen.
Dankzij thermo-ondergoed, een legging onder mijn IC-verantwoorde, geborduurde stretch-spijkerbroek en een lappie op het hoofd had ik het niet eens echt koud in de mistige nacht. Ik werd het spel ingeschopt met een ondode begeleider en dankzij Ogrim (
menno010) eens goed het spel in-ge-crusht. Blijkbaar werkte ik samen met die ondode en was ik onder duistere invloeden. Mijn poging op wraak te nemen op Ogrim werd hopeloos geblokkeerd doordat zijn kaak van harder beton was dan mijn rechterhand.
Er werd een groot ritueel op poten gezet en ondanks mijn eerdere verwarring was het duidelijk wat er van mij verwacht werd: stand houden, wat er ook door onze poort heenbrak. De vluchtelingen die niets uit konden halen in de verdediging waren doorgestuurd naar Walvisbaai. Wat er in Wateringen achterbleef was een groep rauwdouwers die stand móésten houden.
Geflankeerd door Fedor, Hugo en andere helden stond ik klaar toen een grote groep ondoden onze stevige poort omver bliezen. De stukken spaander vlogen in het rond, en daarachter stond een zwaarbepantserde ondode, met een wellustige blik in zijn ogen. Kleinere ondoden en een deftig geklede heer met oubollige kleding stonden om De Zwarte Graaf heen.
Het gevecht was begonnen.
De mannen om mij heen leken veel meer schade te doen, en zij spanden samen om hun wapens magisch te incanteren. Mijn zwaard haalde, in vergelijking, maar weinig uit. Toch bleef ik hakken. De dode ogen verrieden geen pijn terwijl ik handen en benen afhakte, en hun langzame trek naar de rituele cirkel die wij beschermden werd slechts gestaakt als zij het onleven lieten.
Eén van de eenhoorns die deel waren geweest bij het ritueel rende rond tussen de vechters door. Ik probeerde het mythische wezen in veiligheid te brengen, door het op mijn eigen subtiele manier duidelijk te maken dat het domme peerdje zichzelf in veiligheid moest brengen. De klap op de kont die mijn woorden vergezelde, werd beantwoord met een harde beet.
Ik stond naast Hugo, de volksheld, legendarische figuur uit de verhalen, en vroeg hem om samen met mij die ene grote engerik aan te pakken. Ik stond klaar, maar Hugo bleek het in zijn broek te doen voor de Zwarte Graaf. En terecht, ikzelf scheet ook peentjes, maar dat was geen reden om te staken met onze pogingen de wereld te redden. Voor ik goed en wel op de Zwarte Graaf af kon rennen, verdween deze in het niets.
Langzaam besefte ik me mijn verwondingen. Ogrim had mijn pantser wel gerepareerd voor de strijd, maar doordat ik de ondoden op armslengte afstand had gehouden waren het vooral mijn armbeschermers en handen die het hadden moeten ontgelden.
De eenhoorn kwam op mij af, en duwde haar hoorn in mijn lijf in een poging mijn wonden te genezen. Daarna voelde ik me een stuk beter, alhoewel nog enigzins huiverig voor het vurige paardje.
De volgende ochtend kwam de zon op.
Dit is iets wat echt vernoemd moet worden, aangezien de laatste weken het licht langzaam maar zeker verdween en het in de laatste dagen het geheel opgeslokt leek te worden door de zwarte wolk die de Zepultoeraanse Graaf met zich meebracht. Het ritueel was definitief gelukt, en de dreiging was voorbij.
Met Elrohir en Malgor, die toch maar niet bekend wilden staan als "domme puntoor'n", trok ik naar het bos om te kijken hoe het daar was. De avond tevoren had een bosmens genaamd Tak ons al begeleid, en hadden we de roep van de jagende uil gehoord, een goed teken. Deze ochtend was het nog mooier, langzaam leek Ishtra weer terug te reiken naar onze wereld.
Als we hadden willen jagen, was het niet meer gelukt. Kort na ons werden we gevolgd door de knokploeg uit Wateringen, met veel bombarie iets aan het doen waren wat al het wild weg zou jagen. Helaas werd me niet duidelijk wat ze precies aan het doen waren. Elk aanbod om te helpen werd resoluut van de hand gedaan, en zelfs toen wij terug waren in Wateringen werd het heel duidelijk dat Volkshelden al helemaal niet zitten te wachten op hulp. Hugo vertelde me kordaat dat ik thee kon gaan serveren of buiten maar mooi moest gaan staan zijn.
Er was weer rumoer bij de poort, en toen ik die kant op rende met Ogrim zagen we een aantal zwarte gardisten die aangevallen werden door wat ondoden. We schoten te hulp, en pas nadat de ondoden verslagen waren, herkende ik de statige bebaarde heer die snel richting de herberg afgevoerd werd door de aanwezige "helden".
Eenmaal binnen stelde ik me langs de muur op, om vooral de man met baard niet lastig te vallen. Ik vroeg aan een voorbijgaande avonturier wie de man was, en mijn vermoeden werd bevestigd: het was de Baron!
Baron Wolfgang zelf was afgereisd van Orkenslacht, om te onderzoeken wat de oorzaak was dat het beleg van Orkenslacht was gebroken. De ondoden waren uit elkaar gespat, en degenen die niet ter plekke tot stof waren vergaan, waren doelloos rond gaan dwalen en werden kundig opgeruimd door de aanwezige militie, Roodlaarzen en Zwarte Gardisten.
"Voor jullie heldendaden wil ik mijn dank uitspreken. Maar tevens dit kleinood toekennen aan hen, die een cruciale rol hebben gespeeld in het bevrijden van Marsilac."
De medaille, die elk van de aanwezigen om hun nek gehangen kreeg, kon ik niet lezen, maar de Baron zelf hing hem om mijn nek. En dat is natuurlijk nog altijd het mooiste verhaal.
Na een kort overleg met
Na het werk zaterdag herinnerde ik mijzelf eraan dat ik eerst moest tanken en reed ik door dichte mist naar Loon op Zand. De sfeer was er prima voor: een duistere, duistere nacht, met duistere, duistere bedoelingen.
Dankzij thermo-ondergoed, een legging onder mijn IC-verantwoorde, geborduurde stretch-spijkerbroek en een lappie op het hoofd had ik het niet eens echt koud in de mistige nacht. Ik werd het spel ingeschopt met een ondode begeleider en dankzij Ogrim (
Er werd een groot ritueel op poten gezet en ondanks mijn eerdere verwarring was het duidelijk wat er van mij verwacht werd: stand houden, wat er ook door onze poort heenbrak. De vluchtelingen die niets uit konden halen in de verdediging waren doorgestuurd naar Walvisbaai. Wat er in Wateringen achterbleef was een groep rauwdouwers die stand móésten houden.
Geflankeerd door Fedor, Hugo en andere helden stond ik klaar toen een grote groep ondoden onze stevige poort omver bliezen. De stukken spaander vlogen in het rond, en daarachter stond een zwaarbepantserde ondode, met een wellustige blik in zijn ogen. Kleinere ondoden en een deftig geklede heer met oubollige kleding stonden om De Zwarte Graaf heen.
Het gevecht was begonnen.
De mannen om mij heen leken veel meer schade te doen, en zij spanden samen om hun wapens magisch te incanteren. Mijn zwaard haalde, in vergelijking, maar weinig uit. Toch bleef ik hakken. De dode ogen verrieden geen pijn terwijl ik handen en benen afhakte, en hun langzame trek naar de rituele cirkel die wij beschermden werd slechts gestaakt als zij het onleven lieten.
Eén van de eenhoorns die deel waren geweest bij het ritueel rende rond tussen de vechters door. Ik probeerde het mythische wezen in veiligheid te brengen, door het op mijn eigen subtiele manier duidelijk te maken dat het domme peerdje zichzelf in veiligheid moest brengen. De klap op de kont die mijn woorden vergezelde, werd beantwoord met een harde beet.
Ik stond naast Hugo, de volksheld, legendarische figuur uit de verhalen, en vroeg hem om samen met mij die ene grote engerik aan te pakken. Ik stond klaar, maar Hugo bleek het in zijn broek te doen voor de Zwarte Graaf. En terecht, ikzelf scheet ook peentjes, maar dat was geen reden om te staken met onze pogingen de wereld te redden. Voor ik goed en wel op de Zwarte Graaf af kon rennen, verdween deze in het niets.
Langzaam besefte ik me mijn verwondingen. Ogrim had mijn pantser wel gerepareerd voor de strijd, maar doordat ik de ondoden op armslengte afstand had gehouden waren het vooral mijn armbeschermers en handen die het hadden moeten ontgelden.
De eenhoorn kwam op mij af, en duwde haar hoorn in mijn lijf in een poging mijn wonden te genezen. Daarna voelde ik me een stuk beter, alhoewel nog enigzins huiverig voor het vurige paardje.
De volgende ochtend kwam de zon op.
Dit is iets wat echt vernoemd moet worden, aangezien de laatste weken het licht langzaam maar zeker verdween en het in de laatste dagen het geheel opgeslokt leek te worden door de zwarte wolk die de Zepultoeraanse Graaf met zich meebracht. Het ritueel was definitief gelukt, en de dreiging was voorbij.
Met Elrohir en Malgor, die toch maar niet bekend wilden staan als "domme puntoor'n", trok ik naar het bos om te kijken hoe het daar was. De avond tevoren had een bosmens genaamd Tak ons al begeleid, en hadden we de roep van de jagende uil gehoord, een goed teken. Deze ochtend was het nog mooier, langzaam leek Ishtra weer terug te reiken naar onze wereld.
Als we hadden willen jagen, was het niet meer gelukt. Kort na ons werden we gevolgd door de knokploeg uit Wateringen, met veel bombarie iets aan het doen waren wat al het wild weg zou jagen. Helaas werd me niet duidelijk wat ze precies aan het doen waren. Elk aanbod om te helpen werd resoluut van de hand gedaan, en zelfs toen wij terug waren in Wateringen werd het heel duidelijk dat Volkshelden al helemaal niet zitten te wachten op hulp. Hugo vertelde me kordaat dat ik thee kon gaan serveren of buiten maar mooi moest gaan staan zijn.
Er was weer rumoer bij de poort, en toen ik die kant op rende met Ogrim zagen we een aantal zwarte gardisten die aangevallen werden door wat ondoden. We schoten te hulp, en pas nadat de ondoden verslagen waren, herkende ik de statige bebaarde heer die snel richting de herberg afgevoerd werd door de aanwezige "helden".
Eenmaal binnen stelde ik me langs de muur op, om vooral de man met baard niet lastig te vallen. Ik vroeg aan een voorbijgaande avonturier wie de man was, en mijn vermoeden werd bevestigd: het was de Baron!
Baron Wolfgang zelf was afgereisd van Orkenslacht, om te onderzoeken wat de oorzaak was dat het beleg van Orkenslacht was gebroken. De ondoden waren uit elkaar gespat, en degenen die niet ter plekke tot stof waren vergaan, waren doelloos rond gaan dwalen en werden kundig opgeruimd door de aanwezige militie, Roodlaarzen en Zwarte Gardisten.
"Voor jullie heldendaden wil ik mijn dank uitspreken. Maar tevens dit kleinood toekennen aan hen, die een cruciale rol hebben gespeeld in het bevrijden van Marsilac."
De medaille, die elk van de aanwezigen om hun nek gehangen kreeg, kon ik niet lezen, maar de Baron zelf hing hem om mijn nek. En dat is natuurlijk nog altijd het mooiste verhaal.
no subject
Date: 2013-11-22 06:51 pm (UTC)spel met jouw was erg leuk je bijnaam voor ogrim is awesome en je bent een van de weinige die ogrim niet ziet als een eikel. moet ik het natuurlijk in de toekomst niet verknallen. maar mocht je boerinnetje/krijgster/jager interesse hebben een vriendengroepje. bij ogrim, Raven ben je welkom. nou je nog meer richting volkmar trekken en dan zijn we de volkmar trio. (ogrim)Melee, (raven)magic en (Ifke) ranged