Ondertussen in de Baronie...
Jan. 5th, 2013 07:48 pmDe schemering maakte plaats voor de nacht, en Marianne stapte vastberaden voort. De dagen in de Wintermaand waren altijd maar kort en de nachten lang, het kon niet veel later zijn dan etenstijd. Er was geen herberg in het zicht, maar ze had toch niet genoeg geld om een bed te kunnen betalen.
Op de weg hoorde ze paarden naderen, en Marianne week uit naar de zijkant. Het waren een aantal mannen, aan hun stemmen te horen, en ze verschool zich in de haag die langs de weg stond. De paarden briesten, hun warme adem maakte wolkjes in de koude nacht.
De mannen hielden in, en met een zwaai van zijn been steeg één van de mannen af. Zijn laarzen plonsden in een plas en hij vloekte.
Zijn hand greep haar pols, en Marianne schreeuwde in angst. De man graaide naar haar tas, en wierp haar op de grond toen hij haar buidel te pakken had. Hij gromde om de inhoud, een enkele cret. Terwijl ze opkrabbelde pakte hij zijn dolk. Hij stak haar in haar zij, en duwde haar ruw over de heg.
Terwijl de mannen weer opstegen en hun weg vervolgden, gleed Marianne steeds verder weg. Haar lichaam belandde in de greppel achter de haag, en langzaam werd het donkerder. Haar angstige paniek werd steeds zachter. Ze wist wat er komen ging.
De sterren boven haar vervaagden en de duistere sluier werd steeds zwarter. Al het licht verdween, en ze hoorde het geruis van een zware mantel, het geluid van zware voetstappen in een grote zaal. De troon van Anmarack verscheen in de verte, en voordat ze op kon staan uit de greppel, beende de man in de zware mantel voorbij de troon. Zijn kap was over Zijn hoofd getrokken, maar Zijn haar was zwart, een paar lokken vielen er onder vandaan. Het enige wat zichtbaar was, was Zijn kin, Zijn mond, met een halve glimlach die om Zijn lippen speelde, Zijn handen, versierd met ringen die elk een grote edelsteen bevatten, die bewogen richting Zijn kap, klaar om Zijn gezicht aan haar te tonen.
Het was goed zo. Ze was immers altijd van Hem geweest...
Met een schok opende Marianne haar ogen. Haar hart klopte zo hard dat het wel uit haar borstkas leek te willen ontsnappen. Ze bleef doodstil zitten, bang om te bewegen, om te ademen, om zelfs maar te proberen de droom vast te houden. Langzaam maar zeker kalmeerde het ritme in haar borst. Toen haar hart weer normaal klopte, durfde ze weer een beetje te bewegen. Ze schoof voorzichtig de capuchon van haar mantel naar achteren en keek om zich heen. De weg naar Orkenslacht was een stukje verderop, met de haag en de greppel ernaast. Ze was tegen een boom aan gaan zitten die ver genoeg van de weg afstond dat ze weg zou vallen in de schaduwen.
Haar trillende vingers vonden haar staf, en daarna haar tas. In het verborgen vakje in de voering zat inderdaad één oortje. Haar laatste geld.
Op de weg hoorde ze paarden naderen, en Marianne week uit naar de zijkant. Het waren een aantal mannen, aan hun stemmen te horen, en ze verschool zich in de haag die langs de weg stond. De paarden briesten, hun warme adem maakte wolkjes in de koude nacht.
De mannen hielden in, en met een zwaai van zijn been steeg één van de mannen af. Zijn laarzen plonsden in een plas en hij vloekte.
Zijn hand greep haar pols, en Marianne schreeuwde in angst. De man graaide naar haar tas, en wierp haar op de grond toen hij haar buidel te pakken had. Hij gromde om de inhoud, een enkele cret. Terwijl ze opkrabbelde pakte hij zijn dolk. Hij stak haar in haar zij, en duwde haar ruw over de heg.
Terwijl de mannen weer opstegen en hun weg vervolgden, gleed Marianne steeds verder weg. Haar lichaam belandde in de greppel achter de haag, en langzaam werd het donkerder. Haar angstige paniek werd steeds zachter. Ze wist wat er komen ging.
De sterren boven haar vervaagden en de duistere sluier werd steeds zwarter. Al het licht verdween, en ze hoorde het geruis van een zware mantel, het geluid van zware voetstappen in een grote zaal. De troon van Anmarack verscheen in de verte, en voordat ze op kon staan uit de greppel, beende de man in de zware mantel voorbij de troon. Zijn kap was over Zijn hoofd getrokken, maar Zijn haar was zwart, een paar lokken vielen er onder vandaan. Het enige wat zichtbaar was, was Zijn kin, Zijn mond, met een halve glimlach die om Zijn lippen speelde, Zijn handen, versierd met ringen die elk een grote edelsteen bevatten, die bewogen richting Zijn kap, klaar om Zijn gezicht aan haar te tonen.
Het was goed zo. Ze was immers altijd van Hem geweest...
Met een schok opende Marianne haar ogen. Haar hart klopte zo hard dat het wel uit haar borstkas leek te willen ontsnappen. Ze bleef doodstil zitten, bang om te bewegen, om te ademen, om zelfs maar te proberen de droom vast te houden. Langzaam maar zeker kalmeerde het ritme in haar borst. Toen haar hart weer normaal klopte, durfde ze weer een beetje te bewegen. Ze schoof voorzichtig de capuchon van haar mantel naar achteren en keek om zich heen. De weg naar Orkenslacht was een stukje verderop, met de haag en de greppel ernaast. Ze was tegen een boom aan gaan zitten die ver genoeg van de weg afstond dat ze weg zou vallen in de schaduwen.
Haar trillende vingers vonden haar staf, en daarna haar tas. In het verborgen vakje in de voering zat inderdaad één oortje. Haar laatste geld.
no subject
Date: 2013-01-06 10:26 am (UTC)