Maerquin 30: De Parel van Shelindra
Jul. 3rd, 2012 11:51 pmMet gejuich van de bevolking was onze stoet uit Orkenslacht vertrokken en na een voetreis van een week kwamen we aan bij de de herberg in Houthof die het dichtste bij de Parel van Shelindra lag. Daar wachtten geen juichende menigtes, en Ridder van Buuren, Zwarte Gardist en kwal bovenal, keek zuur naar het zuinige ontvangstcomité. Edith begroette ons hartelijk, maar het was duidelijk dat de ridder graag meer volk op de been had gezien om ons te verwelkomen.
Claudius en Elran trokken snel hun bruine tuniek uit die de schildknaap van Van Buuren hen in de armen gedrukt had, en mompelden iets over dat zij een kleermaakster gingen zoeken, en ikzelf zeeg neer in een hoekje bij de haard. Al snel arriveerden andere avonturiers in de stoet van andere ridders. Een man met een blond vlassig baardje was de vertegenwoordiger van Dreven, en Ridder Jongerius stond voor de eer van Koeterwaal, maar de bezoekers kwamen uit alle hoeken van de baronie. Falco had een groot deel van zijn gildemeesters bij zich, en stapte uiteraard direct naar voren toen Leopold vroeg of er nog anderen bereid waren om deel te nemen aan het toernooi. Ook een jongeman uit Wyrm en Lindt toonde zich bereid, en een halfelvenvrouw die zichzelf Spruit noemde.
Vrouwe Illa deelde aan de aanwezige dames rozen uit en de heren werden naar buiten begeleid. Aan de dames de schone taak om hun voorkeur voor hun ridder bekend te maken door hun roos bij de helm of het wapen van hun kampioen te leggen in de helmenschouw. De vrouwen groepeerden zich rondom de uitgestalde helmen en één voor één legden zij hun roos neer. Toen ik naar voren stapte twijfelde ik. Zou ik mijn steun betuigen aan onze burgemeester van Wateringen, of eerder aan ridder Jongerius? Ik besloot toch voor de addelijke heer te gaan, en stak mijn afkeer voor Ridder van Buuren niet onder stoelen of banken toen ik zijn schild van de tafel stootte. Afkeurende blikken van verschillende dames toen ik mij omdraaide gleden van mij af, en ik voegde me weer tussen de dames. Degenen die achter mij kwamen schoven voorzichtig met hun voet het gevallen schild nog wat verder onder tafel. Uiteindelijk was de helmenschouw ten einde en werden de heren gevraagd binnen te komen. De rozen die in de viziers en bij de wapenen waren gelegd waren een mooi tafereel, maar Ridder van Buuren draaide zich op zijn hakken om en stormde weer naar buiten toen hij bemerkte dat zijn schild onder de tafel terecht was gekomen. Zijn nerveuze schildknaap werd naar binnen gestuurd om het schild weer terug te halen.
Ik benaderde Jongerius naderhand en vroeg of ik hem even mocht spreken. Mijn plekje bij de haard was comfortabel genoeg en hij schoof op de bank naast me.
"Ik wilde u waarschuwen;" zei ik, en ik vertelde hem dat één van de dames bij de helmenschouw had gevraagd of de andere dames hun rozen bij zijn helm weg wilden halen zodat haar roos meer op zou vallen. Ik kende de dame in kwestie nog niet, maar ik beschreef haar voor de ridder.
"Ik hoorde u toevallig zojuist zeggen dat u nog geen enkele intentie heeft om te trouwen;" vervolgde ik; "maar ik ben toch bang dat als Barones Liedewij morgen ten tonele verschijnt de kans nog maar erg klein is dat u nog lang van uw vrijheid kunt genieten."
De ridder beaamde dit en vertelde dat zijn moeder inderdaad aardig bemoeizuchtig was wat betreft zijn toekomst. Ik kuchte subtiel en zei dat ik nog wel wat ideeën had.
Een blije lach verscheen op het gezicht van Jongerius, maar hij bedacht zich ineens iets. "Wilt u misschien iets drinken?" vroeg hij toen.
Nadat hij terug kwam met wat thee zetten we ons gesprek voort. Ik vertelde hem dat een hele eenvoudige manier om aan de rondzwermende hoopvolle vrouwen en de bemoeizucht te ontkomen was, dat hij reeds een verloving aan zou kondigen. "Als u aan uw moeder uw aanstaande voorstelt, zal zij haar zinnen zetten op het voorbereiden van het huwelijk, in het beste geval, of anders alles doen om het voorgenomen huwelijk niet plaats te doen vinden. Dat betekent dat ze veel te druk zal zijn om andere dames aan u op te dringen."
Jongerius knikte. "Er is slechts één probleem, en dat is om een vrouw te vinden zonder eer. Eén die het niet erg zal vinden om de verloving af te breken na het toernooi."
"Ach;" zei ik luchtig, terwijl ik mijn theekopje oppakte. "Ik ben omkoopbaar."
Een hoopvolle blik verscheen in zijn ogen, en Jongerius knikte beleefd. "Ik zal het zeker in gedachten houden."
Daarmee nam hij afscheid en liet hij mij alleen met mijn thee.
Al snel werd de lege plek op de bank ingenomen door Polomeus en Claudius, met een vrolijke Edith in toog. Edith maakte een opmerking over Jongerius die naast me had gezeten. Nadat ik mijn thee ophad gingen we naar buiten voor een frisse neus. Polomeus wilde Claudius zijn hinkelbaan laten proberen. In het gesprek wat daarop volgde spraken ze over hun magie. Na het gebruiken van een spreuk kregen ze een hele nare smaak in de mond en werden ze zelfs misselijk. Ik was enigzins verbaasd -- ik had nergens last van -- en hoorde hun verhaal aan met een bezorgde blik op mijn gezicht.
"Ik gebruik niet veel magie;" bekende ik; "Het is niet vaak nodig dat ik een spreuk doe."
"Maar misschien kun je eens kijken;" stelde Claudius voor.
Ik schudde mijn hoofd. "Zoveel spreuken heb ik niet die ik zomaar kan gebruiken. Als je wilt weten of ze hun effectiviteit niet verliezen..." ik haalde een schouder op.
Achter ons stapte Charon door het voorpoortaal van de herberg. Ik dacht een halve seconde na, en besloot toen het niet te doen. "Ik kan toch die arme Charon niet zomaar laten struikelen?"
Polomeus begon geagiteerd te worden. Zijn argumenten werden dringender en langzaam maar zeker werd hij boos. Pas toen hij zich omdraaide naar Claudius pakte ik zijn schouder vast en liet ik mijn spreuk zijn emoties kalmeren.
Er was geen rare smaak in mijn mond, geen misselijkheid, en mijn spreuk was net zo effectief als anders. Polomeus zijn schouders zakten zichtbaar en hij ontspande.
"Ik wilde het zeker weten;" verontschuldigde ik me; "en daarvoor moest je je eerst opwinden."
"Goed;" concludeerde Edith; "Er is dus iets aan de hand met magie."
"En niet alleen goddelijke magie;" wees Claudius uit; "Ook mijn Grijze magie werkt niet naar behoren."
Voordat we verder konden nadenken werd de herberg echter aangevallen, en we snelden toe om te helpen waar mogelijk. Terwijl Edith zich over de gewonden boog keek Polomeus of de vreslijke monsters die ineens verschenen waren, echt wel weg zouden blijven. Epidemia, een novice van Goovarr die we die avond hadden ontmoet, bracht een bloedend, stinkend demonenhart naar buiten om zich daar over het onderzoek van het ding te buigen. Edith hing kokhalzend over een stoel, nadat zij wat mensen genezen had.
"Dit wordt een probleem met het toernooi morgen;" zei Claudius; "als we geen genezing hebben kan dat slecht aflopen voor de ridders."
Zaterdag
Na een hartig ontbijt verzamelden de ridders en hun gevolg zich voor de herberg, klaar om te vertrekken. Het was ongeveer een half uur lopen naar de Parel van Shelindra, en een ezelkar zou wat voorraden meenemen. Ik zette een klein pakketje met Orkenslachtse hapjes voor een picknick op de ezelkar en maakte me klaar om te vertrekken. Onderweg plukte ik een prachtige paarsblauwe korenbloem, en verbaasde ik me over Edith die bijna liep te huppelen. "Is het hier niet prachtig?" vroeg ze terwijl ze naast me dartelde. Een brede glimlach sierde haar gezicht. "De tuinen van Ishtra zijn zo prachtig." Ze haalde diep adem en snoof de frisse ochtendlucht op. Het was bijna deprimerend hoe enthousiast ze was.
"Ik ga ervan uit dat je je godin gewoon voelt?" vatte ik samen.
"Ja, ik voel me veel beter dan gisterenavond." antwoordde Edith.
Polomeus leek zich ook beter te voelen, maar al snel werd de vrolijke bui van deze priesters overschaduwd door de aanwezigheid van halfelven. Deze puntoren waren niet zo blij met al die mensen in hun bos en eisten tol. Ik geloofde er natuurlijk geen snars van, want wat hebben halfelven nou aan crets? Er werd van meerdere kanten dreigend gekeken en de pijlen van de halfelven waren net niet dreigend meer op ons gericht. Al snel had Edith overlegd en een handvol crets betaald, en ons kleine groepje kon doorlopen richting de parel. Een van de halfelven leidde ons over het pad naar de Parel, onderwijl goed oplettend dat we geen rare fratsen uithaalden.
De Parel van Shelindra was omgeven door de mooie bossen van de Tuinen van Ishtra, en het was een kleine maar stevige tempel. Niet lang na aankomst dromden de aanwezigen rond de tempel. Ridder Jongerius verscheen ineens voor me, en kuste mijn hand. "Vrouwe, zou u mij willen vergezellen naar de mis aan Shelindra?"
Ik kon niet weigeren.
Hij liet mijn hand niet los tot wij bij de gemakkelijke banken, gereserveerd voor de adel, achterin de tempel waren en daar plofte hij neer en zakte direct onderuit. Ik rechtte mijn rug en pakte mijn eigen boek, met hersenspinsels, visioenen, gebeden en gedichten uit mijn tas. Leopold begon de dienst en nog even bladerde Jongerius door het misboekje heen, maar nadat hij het boekje aan mij doorgegeven had, sukkelde de weledele ridder gewoon domweg in slaap.
Ik keek door het misboek heen, en een zure smaak borrelde omhoog bij het lezen van het gekweel en zoete woorden over schoonheid. De dames die Leopold hielpen bij de mis schuifelden wat heen en weer. Pas toen Leopold over een donatie begon schrok Jongerius weer wakker. Ik bracht hem op de hoogte. Mijn kleermaakster uit Orkenslacht die ook helemaal naar de Parel was afgereisd ondersteunde de priesters bij hun mis, en kwam langs met een offerschaal. De rij adelen achterin zouden als laatste hun donatie mogen doen. Jongerius groef in een buideltje en overhandigde mij een muntstuk van één cret, die ik dankbaar aannam. Hijzelf liet duidelijk zien dat hij een pent in de schaal liet vallen. Ik had mijn blauwe korenbloem gepakt en hield het oortje van Jongerius stevig onder de vingers van mijn linkerhand geklemd. Ik legde de bloem in de schaal, en schoof een paar crets die in de schaal lagen opzij, zodat het klonk alsof ik het oortje had gedoneerd, maar het muntstuk verliet mijn hand niet. Ik schoof het voorzichtig tussen de pagina's van mijn boek. Shelindra mocht tevreden zijn; het was zeker een mooie bloem.
Toen de mis was afgelopen kwamen Epidemia en Victor, beiden Goovarr aanhangers, op me afgelopen. Of ik hen wilde helpen met hun gebed aan Goovarr. Ik ontweek hun vraag enigzins en stelde uiteindelijk als eis voor mijn aanwezigheid dat zij een dankzegging aan Kharnun zouden bijwonen. Eigenlijk had ik die diezelfde avond willen doen, maar er waren verder geen openlijke volgelingen van Kharnun aanwezig, dus ik besloot het direct in te zetten. Een aantal nieuwsgierigen namen plaats achter de tempel van Shelindra en ik stapte snel de tempel binnen om het altaarkleed te stelen als basis voor mijn dankzegging, en stal de sjaal van Isa, die geholpen had bij de mis van Shelindra.
Iedereen daar verzameld, behalve een nerveuze Maximilian, nam deel aan de dankzegging. Ze vertelden een gebeurtenis die hun leven had veranderd en knikten na elkaars verhaal.
Tevreden met mijn dankzegging stond ik weer op om direct aangesproken te worden door de volgelingen van Goovarr.
Hoe minder ik over dat gebeuren vertel, hoe beter. De zweep was tot daar aan toe, evenals de zweren op Epidemia's gezicht die zichtbaar werden nadat zij haar sluier opgetild had. Het eten en drinken van de 'kinderen van de wonde' ... wel, laten we daar maar niet verder over uitwijden.
Het toernooi ging kort daarna echt van start en de ridders namen deel aan een boogschietwedstrijd, welke ik in het geheel miste omdat ik door verschillende mensen aangesproken werd. Het leek wel alsof iedereen me even wilde spreken, en als het niet om brieven ging, dan ging het wel over Ridder Jongerius.
Kort na de boogschietwedstrijd werd ik gevraagd het schildje voor Ridder Jongerius te schilderen, een taak waar Leopold mij al voor betaald had de avond daarvoor. Ik vroeg de beste man om plaats te nemen aan tafel, zodat ik het grote wapenschild op zijn tuniek na kon schilderen, waar hij graag gehoor aan gaf. De gouden draak was het moeilijkst, maar toen deze klaar was volgde al snel de lila helft van het schild. Lastiger was de andere helft: de dames hadden alleen maar kleuren gekregen die vrolijk en helder waren, en zwart ontbrak in zijn geheel. Uiteindelijk haalde ik een stuk houtskool uit de vuurplaats en tekende daarmee de andere helft van het schild in. Nadat het gedroogd had, was ik tevreden, en Jongerius ook. Hij dankte mij hartelijk en liep richting zijn toernooi tent, waar zijn moeder met de scepter zwaaide. Daar kwam ik te laat achter; Edith had voorgesteld dat ik de zijranden van het schildje nog een kleur moest geven en ik liep achter de ridder aan om het schild op te halen. Toen ik hem uitlegde wat ik wilde doen zei hij: "Het staat op de haard, u kunt het gewoon pakken." Ik stapte de tournooitent binnen en werd direct op mijn plek gezet door vrouwe Liedewij. Zij ging er op haar beurt volledig vanuit dat er iemand op wacht stond bij de ingang, maar dit was niet het geval en waarschijnlijk was het bij Jongerius niet eens in hem opgekomen om me even te waarschuwen.
Nadat de schildjes geschilderd waren vielen de festiviteiten nogal stil. Regelmatig kwamen de halfelven, die nog steeds ons nauwlettend in de gaten hielden, tierend langs over dit of dat. Ik hield me vooral afzijdig van dit soort wezens. Hagedismensen zijn tot daar aan toe, maar halfelven zijn toch echt het tuig van de richel.
Ik nodigde Edith uit om bij me op het gras in de schaduw te zitten en al gauw kwamen anderen er ook bij. Ik stalde het fruit uit Orkenslacht uit en eventjes was er niets aan onze hoofden. Al snel kwam daar verandering in, want er was nog steeds het probleem met de goden. Jinni kon helemaal geen spreuken meer die specifiek door Shelindra haar gegund werden, en dit had ook ernstige nadelen voor de genezing. Waar het nu precies aan lag, dat wisten we nog steeds niet, en met onze discussie leken we ook geen nieuwe aanknopingspunten te vinden.
Met de muzikanten die de tempelgronden op kwamen lopen was er voor mij weer werk aan de winkel. Zomaar muziek maken zonder gildebrief, ach voorheen had ik me daar niet zo druk over gemaakt maar wellicht was er nu ook geld aan te verdienen. De muzikanten, Ingrid en Henk, waren erg getalenteerd maar straatarm. Ik troggelde ze 10 cret af voor een gildebrief en liep vervolgens met ze richting Leopold, die altijd wel te porren was voor het strooien met crets. Met mijn gildeboek voor mijn neus stond ik daar, naast de tobbe met heet water. Jongerius had inmiddels vrouwe Hannelore om zijn nek hangen en ook Vrouwe Illa hing wulps over de rand van het hete bad. Leopold viste zijn buidel met geld uit het water -- hij droeg het ding zelfs in bad om zijn nek! -- en gaf mij 10 cret, die ik direct doorgaf aan de muzikanten. Tevreden speelden zij een deuntje, waar vrolijk op gereageerd werd door de heren en dames in het bad.
Uiteindelijk, toen de heren van adel zich weer netjes aangekleed hadden en zich in hun pantser gehesen hadden, ging het toernooi weer verder. Ik vroeg aan ridder Jongerius of ik mijn lint om zijn arm mocht binden, en hij stemde in. De ridders mochten elkaar uitdagen en tot mijn grote verontwaardigheid had naast de vrouwelijke puberende halfelf zich nog een dame, die ik meende te herkennen van achter de bar in de herberg, zich toegevoegd aan het toernooi. Deze dames stonden tegenover elkaar in de ring, en deden hun best om elkaar te raken. Het was niets in vergelijking met de ploeterende mannen in plaatstaal en maliënkolders die klappen opvingen op hun schild. Maar het was inspiratie voor mogelijk een nieuw verhaal. Uiteindelijk was het gelijkspel bij de dames, en ze ondersteunden elkaar terwijl ze de ring verlieten. De dwerg die eerder die ochtend aan was gekomen zag er formidabel uit in zijn plaatstalen harnas met enorme strijdbijl, en de andere toeschouwers genoten net zo van het schouwspel als ik.
Aan het einde van de middag werden de harnassen weer op de ezelkar geladen en trokken we weer terug richting de herberg. Eenmaal daar aangekomen bleek dat er iemand binnen was geweest die overal vallen had gelegd. Polomeus had het ongeluk dat hij één van de stoelen pakte waar een projectiel aan gebonden zat -- en Claudius had de botte pech dat hij ernaast zat. Het was wel duidelijk dat Eleena niet aan het opletten was, maar ook Ishtra had betere dagen gekend. Edith deed haar best de heren te genezen, maar ze werd overvallen door misselijkheid na het gebruiken van haar genezende spreuken.
Na het eten werd er al gauw aangekondigd dat er danslessen zouden zijn om de kunsten van de aanwezigen even op te frissen. We dansten een jig, een scottish en zelfs een hantedro. Op de ene of andere manier wist Jongerius steeds weer mijn hand te vragen voor de volgende ronde oefeningen. Bij de jig glimlachte hij breed elke keer als ik zijn hand weer pakte. Ik begon me er inmiddels aardig ongemakkelijk bij te voelen. Hij stond voor op de andere ridders en maakte goede kans het toernooi te winnen, en daarmee de hand van de jonge Gravin Elizabeth. Maar hij had nog geen enkele poging gedaan om hier onder uit te komen. Zijn geflirt was allemaal prima, maar het moest immers wel ergens toe leiden.
Toen de oefenrondes voorbij waren stootte Edith me betekenisvol aan. "Zo, hoe was het dansen?"
Ik deed het verhaal uit de doeken, alhoewel ik nog even stil hield in hoeverre dit allemaal door mijzelf begonnen was. "Ik weet ook niet zo goed wat er nu gaat komen. Hij lijkt wel geïnteresseerd, maar meer dan dit komt er nog niet uit. Ik weet niet wat zijn bedoelingen zijn."
Niet lang daarna, nadat Liedewij het hele bal aflaste omdat Fedor zijn mond niet kon houden tegen de Barones, werd duidelijker wat Jongerius' bedoelingen waren. Hij vroeg me, met een betekenisvolle blik, wat mijn plannen voor die avond waren. Helaas voor hem had ik wel wat belangrijker zaken te doen. "Ik ga bidden naar mijn god." zei ik kortaf, en ik liep weg zonder me te verontschuldigen. De situatie met de goden begon voor veel anderen aardig vervelend te worden, en ik dankte Kharnun dat ik nog steeds geen last had van de rare misselijkheid. Ik zou zelfs letterlijk Kharnun hiervoor gaan danken, maar toen ik de herberg verliet om in het donker een rustig plekje te zoeken kwam ik Polomeus tegen. Hij vroeg om mijn hulp en die bood ik natuurlijk aan. Isa, William, Claudius, Edith en een anders priester van Ishtra zouden proberen te achterhalen wat de oorzaak was van de blokkade die priesters en magiërs ondervonden. Mijn hulp was gewenst om het ritueel in de gaten te houden. Ik keek Edith nerveus aan voor het ritueel van start ging.
William zat in het midden, met Isa achter hem en de twee Ishtra priesters naast hem. Claudius hanteerde de prisma die Polomeus meegenomen had, en Polomeus tuurde over de prisma naar William in de hoop de blokkade te kunnen zien en de oorsprong van de blokkade te achterhalen. Ik liep rondjes in de rituele cirkel, zodat ik alle deelnemers goed kon zien, maar ineens viel me op dat een tweetal tekeningen van een roos waren verschenen aan mijn voeten. Later kwamen daar twee tekeningen van een weegschaal bij.
Het zei ons allemaal niets.
Polomeus liet het hier niet bij zitten. Hij had eerder die avond met Edith geprobeerd wat er zou gebeuren als hij de magische tekens zou tekenen, en hij wilde het nogmaals proberen. De eerste keer was zeer onprettig geweest voor hem, maar nu ging hij nog verder. Niet drie of vier tekens, maar liefst tien werden er op de bosgrond getekend. Even leek het niets uit te halen, maar toen overspoelde de angst ons allemaal. Ik rende in blinde angst weg van de plek, weg van de herberg, verder de bossen in. Het duurde even voordat ik gekalmeerd genoeg was om terug te keren en daar vond ik Polomeus die met zijn mes in zijn arm aan het kerven was, nogmaals hetzelfde teken.
Wat een slecht plan.
Het ging wanhopig mis en Edith was nodig om hem te genezen. De tranen stonden in haar ogen, nadat haar misselijkheid langzaam wegtrok, en ze wilde niets zeggen. Claudius was ook met stomheid geslagen. Ik had echter mijn woordje klaar. Ik vroeg de andere twee om even verderop te lopen, en toen ik Polomeus onder vier ogen had zei ik slechts twee zinnen tegen hem.
"Je bent heel hard op weg naar het pad van Kharnun." Ik liet een pauze vallen. "En daar ben je meer dan welkom."
Een glimlach speelde om mijn lippen, en ik liet hem achter met deze gedachten. Hij hoefde er nog maar eentje te verraden, Eleena, zijn godin, en dan...zou hij van Kharnun zijn.
Zondag
Temidden van alle pogingen tot het oplossen van het probleem met de magie werd de herberg overspoeld door demonische wezens en ook daar was nog geen oplossing voor gevonden. Bij het ontbijt kwamen deze impen ons weer lastig vallen, maar ondanks de vele waarschuwingen moest en zou het toernooi doorgaan. Ik liftte mee met de ezelkar en arriveerde voor de meeste anderen. Het was nog rustig bij de tempel van Shelindra, maar er waren al wat halfelven aanwezig en het personeel zette kannen water klaar voor de dorstige avonturiers.
Ik stelde een brief op voor de ridder die uitkwam voor de heerlijkheid Dreven, en werd daarna vriendelijk toegeknikt door ridder Jongerius. Ik hoopte dat hij zijn intenties eindelijk duidelijk wilde maken, maar in plaats daarvan vroeg hij of ik ook massages verzorgde.
"Ik denk dat u het verkeerde gilde voor ogen heeft." sprak ik koeltjes. "Ik ben gildemeester van Taligheid en Vermaak, niet van Gelag en Lijfelijkheid." Er waren vast wel dames die hem tegemoet konden komen in zijn wensen, maar zonder huwelijkssjaal zou er door mij niet gemasseerd worden.
Er moesten die dag nog odes aan Shelindra gebracht worden en er zou nog een strijd zijn van de ridders, maar ze besloten dat het toch niet zo belangrijk was om te strijden. Ze konden beter hun krachten sparen. Er werd gesproken over de hagedismensen die een ultimatum hadden uitgebracht, en tegen de tijd dat de zon op zijn hoogst stond, zouden ze terugkeren.
En ze kwamen. De hagedismensen hadden imps bij zich die we de dagen ervoor ook al hadden gezien. Polomeus probeerde ze te lokken met een ritueel maar ze leken er niet om te geven. Een van de impen die te dichtbij kwam liet ik struikelen met een spreuk, maar er werd geen acht op geslagen. Gambo probeerde nog te onderhandelen met de hagedissen, maar het lukte niet. Jongerius stond zelfs klaar om ze achterna te gaan het bos in, ondanks waarschuwingingen over halfelven, de malachim en natuurlijk dat de hagedissen zelf veel beter zouden zijn dan mensen in deze bossen van Ishtra.
Toen de rust weer een beetje teruggekeerd was, stonden we klaar om terug te gaan naar de herberg, onze bezittingen in te pakken en terug naar huis te gaan. Maar eerst wilde Leopold nog wat vragen.
Hij vroeg aan vrouwe Illa of zij zijn dame wilde worden, en natuurlijk stemde ze in.
-----
Ik vergeet vast van alles, maar ik wil het verhaal gewoon heel graag op mijn blog zetten zodat het klaar is. Misschien dat ik er nog wat foto's invoeg als ik ze bewerkt & geüploadt heb.
Claudius en Elran trokken snel hun bruine tuniek uit die de schildknaap van Van Buuren hen in de armen gedrukt had, en mompelden iets over dat zij een kleermaakster gingen zoeken, en ikzelf zeeg neer in een hoekje bij de haard. Al snel arriveerden andere avonturiers in de stoet van andere ridders. Een man met een blond vlassig baardje was de vertegenwoordiger van Dreven, en Ridder Jongerius stond voor de eer van Koeterwaal, maar de bezoekers kwamen uit alle hoeken van de baronie. Falco had een groot deel van zijn gildemeesters bij zich, en stapte uiteraard direct naar voren toen Leopold vroeg of er nog anderen bereid waren om deel te nemen aan het toernooi. Ook een jongeman uit Wyrm en Lindt toonde zich bereid, en een halfelvenvrouw die zichzelf Spruit noemde.
Vrouwe Illa deelde aan de aanwezige dames rozen uit en de heren werden naar buiten begeleid. Aan de dames de schone taak om hun voorkeur voor hun ridder bekend te maken door hun roos bij de helm of het wapen van hun kampioen te leggen in de helmenschouw. De vrouwen groepeerden zich rondom de uitgestalde helmen en één voor één legden zij hun roos neer. Toen ik naar voren stapte twijfelde ik. Zou ik mijn steun betuigen aan onze burgemeester van Wateringen, of eerder aan ridder Jongerius? Ik besloot toch voor de addelijke heer te gaan, en stak mijn afkeer voor Ridder van Buuren niet onder stoelen of banken toen ik zijn schild van de tafel stootte. Afkeurende blikken van verschillende dames toen ik mij omdraaide gleden van mij af, en ik voegde me weer tussen de dames. Degenen die achter mij kwamen schoven voorzichtig met hun voet het gevallen schild nog wat verder onder tafel. Uiteindelijk was de helmenschouw ten einde en werden de heren gevraagd binnen te komen. De rozen die in de viziers en bij de wapenen waren gelegd waren een mooi tafereel, maar Ridder van Buuren draaide zich op zijn hakken om en stormde weer naar buiten toen hij bemerkte dat zijn schild onder de tafel terecht was gekomen. Zijn nerveuze schildknaap werd naar binnen gestuurd om het schild weer terug te halen.
Ik benaderde Jongerius naderhand en vroeg of ik hem even mocht spreken. Mijn plekje bij de haard was comfortabel genoeg en hij schoof op de bank naast me.
"Ik wilde u waarschuwen;" zei ik, en ik vertelde hem dat één van de dames bij de helmenschouw had gevraagd of de andere dames hun rozen bij zijn helm weg wilden halen zodat haar roos meer op zou vallen. Ik kende de dame in kwestie nog niet, maar ik beschreef haar voor de ridder.
"Ik hoorde u toevallig zojuist zeggen dat u nog geen enkele intentie heeft om te trouwen;" vervolgde ik; "maar ik ben toch bang dat als Barones Liedewij morgen ten tonele verschijnt de kans nog maar erg klein is dat u nog lang van uw vrijheid kunt genieten."
De ridder beaamde dit en vertelde dat zijn moeder inderdaad aardig bemoeizuchtig was wat betreft zijn toekomst. Ik kuchte subtiel en zei dat ik nog wel wat ideeën had.
Een blije lach verscheen op het gezicht van Jongerius, maar hij bedacht zich ineens iets. "Wilt u misschien iets drinken?" vroeg hij toen.
Nadat hij terug kwam met wat thee zetten we ons gesprek voort. Ik vertelde hem dat een hele eenvoudige manier om aan de rondzwermende hoopvolle vrouwen en de bemoeizucht te ontkomen was, dat hij reeds een verloving aan zou kondigen. "Als u aan uw moeder uw aanstaande voorstelt, zal zij haar zinnen zetten op het voorbereiden van het huwelijk, in het beste geval, of anders alles doen om het voorgenomen huwelijk niet plaats te doen vinden. Dat betekent dat ze veel te druk zal zijn om andere dames aan u op te dringen."
Jongerius knikte. "Er is slechts één probleem, en dat is om een vrouw te vinden zonder eer. Eén die het niet erg zal vinden om de verloving af te breken na het toernooi."
"Ach;" zei ik luchtig, terwijl ik mijn theekopje oppakte. "Ik ben omkoopbaar."
Een hoopvolle blik verscheen in zijn ogen, en Jongerius knikte beleefd. "Ik zal het zeker in gedachten houden."
Daarmee nam hij afscheid en liet hij mij alleen met mijn thee.
Al snel werd de lege plek op de bank ingenomen door Polomeus en Claudius, met een vrolijke Edith in toog. Edith maakte een opmerking over Jongerius die naast me had gezeten. Nadat ik mijn thee ophad gingen we naar buiten voor een frisse neus. Polomeus wilde Claudius zijn hinkelbaan laten proberen. In het gesprek wat daarop volgde spraken ze over hun magie. Na het gebruiken van een spreuk kregen ze een hele nare smaak in de mond en werden ze zelfs misselijk. Ik was enigzins verbaasd -- ik had nergens last van -- en hoorde hun verhaal aan met een bezorgde blik op mijn gezicht.
"Ik gebruik niet veel magie;" bekende ik; "Het is niet vaak nodig dat ik een spreuk doe."
"Maar misschien kun je eens kijken;" stelde Claudius voor.
Ik schudde mijn hoofd. "Zoveel spreuken heb ik niet die ik zomaar kan gebruiken. Als je wilt weten of ze hun effectiviteit niet verliezen..." ik haalde een schouder op.
Achter ons stapte Charon door het voorpoortaal van de herberg. Ik dacht een halve seconde na, en besloot toen het niet te doen. "Ik kan toch die arme Charon niet zomaar laten struikelen?"
Polomeus begon geagiteerd te worden. Zijn argumenten werden dringender en langzaam maar zeker werd hij boos. Pas toen hij zich omdraaide naar Claudius pakte ik zijn schouder vast en liet ik mijn spreuk zijn emoties kalmeren.
Er was geen rare smaak in mijn mond, geen misselijkheid, en mijn spreuk was net zo effectief als anders. Polomeus zijn schouders zakten zichtbaar en hij ontspande.
"Ik wilde het zeker weten;" verontschuldigde ik me; "en daarvoor moest je je eerst opwinden."
"Goed;" concludeerde Edith; "Er is dus iets aan de hand met magie."
"En niet alleen goddelijke magie;" wees Claudius uit; "Ook mijn Grijze magie werkt niet naar behoren."
Voordat we verder konden nadenken werd de herberg echter aangevallen, en we snelden toe om te helpen waar mogelijk. Terwijl Edith zich over de gewonden boog keek Polomeus of de vreslijke monsters die ineens verschenen waren, echt wel weg zouden blijven. Epidemia, een novice van Goovarr die we die avond hadden ontmoet, bracht een bloedend, stinkend demonenhart naar buiten om zich daar over het onderzoek van het ding te buigen. Edith hing kokhalzend over een stoel, nadat zij wat mensen genezen had.
"Dit wordt een probleem met het toernooi morgen;" zei Claudius; "als we geen genezing hebben kan dat slecht aflopen voor de ridders."
Zaterdag
Na een hartig ontbijt verzamelden de ridders en hun gevolg zich voor de herberg, klaar om te vertrekken. Het was ongeveer een half uur lopen naar de Parel van Shelindra, en een ezelkar zou wat voorraden meenemen. Ik zette een klein pakketje met Orkenslachtse hapjes voor een picknick op de ezelkar en maakte me klaar om te vertrekken. Onderweg plukte ik een prachtige paarsblauwe korenbloem, en verbaasde ik me over Edith die bijna liep te huppelen. "Is het hier niet prachtig?" vroeg ze terwijl ze naast me dartelde. Een brede glimlach sierde haar gezicht. "De tuinen van Ishtra zijn zo prachtig." Ze haalde diep adem en snoof de frisse ochtendlucht op. Het was bijna deprimerend hoe enthousiast ze was.
"Ik ga ervan uit dat je je godin gewoon voelt?" vatte ik samen.
"Ja, ik voel me veel beter dan gisterenavond." antwoordde Edith.
Polomeus leek zich ook beter te voelen, maar al snel werd de vrolijke bui van deze priesters overschaduwd door de aanwezigheid van halfelven. Deze puntoren waren niet zo blij met al die mensen in hun bos en eisten tol. Ik geloofde er natuurlijk geen snars van, want wat hebben halfelven nou aan crets? Er werd van meerdere kanten dreigend gekeken en de pijlen van de halfelven waren net niet dreigend meer op ons gericht. Al snel had Edith overlegd en een handvol crets betaald, en ons kleine groepje kon doorlopen richting de parel. Een van de halfelven leidde ons over het pad naar de Parel, onderwijl goed oplettend dat we geen rare fratsen uithaalden.
De Parel van Shelindra was omgeven door de mooie bossen van de Tuinen van Ishtra, en het was een kleine maar stevige tempel. Niet lang na aankomst dromden de aanwezigen rond de tempel. Ridder Jongerius verscheen ineens voor me, en kuste mijn hand. "Vrouwe, zou u mij willen vergezellen naar de mis aan Shelindra?"
Ik kon niet weigeren.
Hij liet mijn hand niet los tot wij bij de gemakkelijke banken, gereserveerd voor de adel, achterin de tempel waren en daar plofte hij neer en zakte direct onderuit. Ik rechtte mijn rug en pakte mijn eigen boek, met hersenspinsels, visioenen, gebeden en gedichten uit mijn tas. Leopold begon de dienst en nog even bladerde Jongerius door het misboekje heen, maar nadat hij het boekje aan mij doorgegeven had, sukkelde de weledele ridder gewoon domweg in slaap.
Ik keek door het misboek heen, en een zure smaak borrelde omhoog bij het lezen van het gekweel en zoete woorden over schoonheid. De dames die Leopold hielpen bij de mis schuifelden wat heen en weer. Pas toen Leopold over een donatie begon schrok Jongerius weer wakker. Ik bracht hem op de hoogte. Mijn kleermaakster uit Orkenslacht die ook helemaal naar de Parel was afgereisd ondersteunde de priesters bij hun mis, en kwam langs met een offerschaal. De rij adelen achterin zouden als laatste hun donatie mogen doen. Jongerius groef in een buideltje en overhandigde mij een muntstuk van één cret, die ik dankbaar aannam. Hijzelf liet duidelijk zien dat hij een pent in de schaal liet vallen. Ik had mijn blauwe korenbloem gepakt en hield het oortje van Jongerius stevig onder de vingers van mijn linkerhand geklemd. Ik legde de bloem in de schaal, en schoof een paar crets die in de schaal lagen opzij, zodat het klonk alsof ik het oortje had gedoneerd, maar het muntstuk verliet mijn hand niet. Ik schoof het voorzichtig tussen de pagina's van mijn boek. Shelindra mocht tevreden zijn; het was zeker een mooie bloem.
Toen de mis was afgelopen kwamen Epidemia en Victor, beiden Goovarr aanhangers, op me afgelopen. Of ik hen wilde helpen met hun gebed aan Goovarr. Ik ontweek hun vraag enigzins en stelde uiteindelijk als eis voor mijn aanwezigheid dat zij een dankzegging aan Kharnun zouden bijwonen. Eigenlijk had ik die diezelfde avond willen doen, maar er waren verder geen openlijke volgelingen van Kharnun aanwezig, dus ik besloot het direct in te zetten. Een aantal nieuwsgierigen namen plaats achter de tempel van Shelindra en ik stapte snel de tempel binnen om het altaarkleed te stelen als basis voor mijn dankzegging, en stal de sjaal van Isa, die geholpen had bij de mis van Shelindra.
Iedereen daar verzameld, behalve een nerveuze Maximilian, nam deel aan de dankzegging. Ze vertelden een gebeurtenis die hun leven had veranderd en knikten na elkaars verhaal.
Tevreden met mijn dankzegging stond ik weer op om direct aangesproken te worden door de volgelingen van Goovarr.
Hoe minder ik over dat gebeuren vertel, hoe beter. De zweep was tot daar aan toe, evenals de zweren op Epidemia's gezicht die zichtbaar werden nadat zij haar sluier opgetild had. Het eten en drinken van de 'kinderen van de wonde' ... wel, laten we daar maar niet verder over uitwijden.
Het toernooi ging kort daarna echt van start en de ridders namen deel aan een boogschietwedstrijd, welke ik in het geheel miste omdat ik door verschillende mensen aangesproken werd. Het leek wel alsof iedereen me even wilde spreken, en als het niet om brieven ging, dan ging het wel over Ridder Jongerius.
Kort na de boogschietwedstrijd werd ik gevraagd het schildje voor Ridder Jongerius te schilderen, een taak waar Leopold mij al voor betaald had de avond daarvoor. Ik vroeg de beste man om plaats te nemen aan tafel, zodat ik het grote wapenschild op zijn tuniek na kon schilderen, waar hij graag gehoor aan gaf. De gouden draak was het moeilijkst, maar toen deze klaar was volgde al snel de lila helft van het schild. Lastiger was de andere helft: de dames hadden alleen maar kleuren gekregen die vrolijk en helder waren, en zwart ontbrak in zijn geheel. Uiteindelijk haalde ik een stuk houtskool uit de vuurplaats en tekende daarmee de andere helft van het schild in. Nadat het gedroogd had, was ik tevreden, en Jongerius ook. Hij dankte mij hartelijk en liep richting zijn toernooi tent, waar zijn moeder met de scepter zwaaide. Daar kwam ik te laat achter; Edith had voorgesteld dat ik de zijranden van het schildje nog een kleur moest geven en ik liep achter de ridder aan om het schild op te halen. Toen ik hem uitlegde wat ik wilde doen zei hij: "Het staat op de haard, u kunt het gewoon pakken." Ik stapte de tournooitent binnen en werd direct op mijn plek gezet door vrouwe Liedewij. Zij ging er op haar beurt volledig vanuit dat er iemand op wacht stond bij de ingang, maar dit was niet het geval en waarschijnlijk was het bij Jongerius niet eens in hem opgekomen om me even te waarschuwen.
Nadat de schildjes geschilderd waren vielen de festiviteiten nogal stil. Regelmatig kwamen de halfelven, die nog steeds ons nauwlettend in de gaten hielden, tierend langs over dit of dat. Ik hield me vooral afzijdig van dit soort wezens. Hagedismensen zijn tot daar aan toe, maar halfelven zijn toch echt het tuig van de richel.
Ik nodigde Edith uit om bij me op het gras in de schaduw te zitten en al gauw kwamen anderen er ook bij. Ik stalde het fruit uit Orkenslacht uit en eventjes was er niets aan onze hoofden. Al snel kwam daar verandering in, want er was nog steeds het probleem met de goden. Jinni kon helemaal geen spreuken meer die specifiek door Shelindra haar gegund werden, en dit had ook ernstige nadelen voor de genezing. Waar het nu precies aan lag, dat wisten we nog steeds niet, en met onze discussie leken we ook geen nieuwe aanknopingspunten te vinden.
Met de muzikanten die de tempelgronden op kwamen lopen was er voor mij weer werk aan de winkel. Zomaar muziek maken zonder gildebrief, ach voorheen had ik me daar niet zo druk over gemaakt maar wellicht was er nu ook geld aan te verdienen. De muzikanten, Ingrid en Henk, waren erg getalenteerd maar straatarm. Ik troggelde ze 10 cret af voor een gildebrief en liep vervolgens met ze richting Leopold, die altijd wel te porren was voor het strooien met crets. Met mijn gildeboek voor mijn neus stond ik daar, naast de tobbe met heet water. Jongerius had inmiddels vrouwe Hannelore om zijn nek hangen en ook Vrouwe Illa hing wulps over de rand van het hete bad. Leopold viste zijn buidel met geld uit het water -- hij droeg het ding zelfs in bad om zijn nek! -- en gaf mij 10 cret, die ik direct doorgaf aan de muzikanten. Tevreden speelden zij een deuntje, waar vrolijk op gereageerd werd door de heren en dames in het bad.
Uiteindelijk, toen de heren van adel zich weer netjes aangekleed hadden en zich in hun pantser gehesen hadden, ging het toernooi weer verder. Ik vroeg aan ridder Jongerius of ik mijn lint om zijn arm mocht binden, en hij stemde in. De ridders mochten elkaar uitdagen en tot mijn grote verontwaardigheid had naast de vrouwelijke puberende halfelf zich nog een dame, die ik meende te herkennen van achter de bar in de herberg, zich toegevoegd aan het toernooi. Deze dames stonden tegenover elkaar in de ring, en deden hun best om elkaar te raken. Het was niets in vergelijking met de ploeterende mannen in plaatstaal en maliënkolders die klappen opvingen op hun schild. Maar het was inspiratie voor mogelijk een nieuw verhaal. Uiteindelijk was het gelijkspel bij de dames, en ze ondersteunden elkaar terwijl ze de ring verlieten. De dwerg die eerder die ochtend aan was gekomen zag er formidabel uit in zijn plaatstalen harnas met enorme strijdbijl, en de andere toeschouwers genoten net zo van het schouwspel als ik.
Aan het einde van de middag werden de harnassen weer op de ezelkar geladen en trokken we weer terug richting de herberg. Eenmaal daar aangekomen bleek dat er iemand binnen was geweest die overal vallen had gelegd. Polomeus had het ongeluk dat hij één van de stoelen pakte waar een projectiel aan gebonden zat -- en Claudius had de botte pech dat hij ernaast zat. Het was wel duidelijk dat Eleena niet aan het opletten was, maar ook Ishtra had betere dagen gekend. Edith deed haar best de heren te genezen, maar ze werd overvallen door misselijkheid na het gebruiken van haar genezende spreuken.
Na het eten werd er al gauw aangekondigd dat er danslessen zouden zijn om de kunsten van de aanwezigen even op te frissen. We dansten een jig, een scottish en zelfs een hantedro. Op de ene of andere manier wist Jongerius steeds weer mijn hand te vragen voor de volgende ronde oefeningen. Bij de jig glimlachte hij breed elke keer als ik zijn hand weer pakte. Ik begon me er inmiddels aardig ongemakkelijk bij te voelen. Hij stond voor op de andere ridders en maakte goede kans het toernooi te winnen, en daarmee de hand van de jonge Gravin Elizabeth. Maar hij had nog geen enkele poging gedaan om hier onder uit te komen. Zijn geflirt was allemaal prima, maar het moest immers wel ergens toe leiden.
Toen de oefenrondes voorbij waren stootte Edith me betekenisvol aan. "Zo, hoe was het dansen?"
Ik deed het verhaal uit de doeken, alhoewel ik nog even stil hield in hoeverre dit allemaal door mijzelf begonnen was. "Ik weet ook niet zo goed wat er nu gaat komen. Hij lijkt wel geïnteresseerd, maar meer dan dit komt er nog niet uit. Ik weet niet wat zijn bedoelingen zijn."
Niet lang daarna, nadat Liedewij het hele bal aflaste omdat Fedor zijn mond niet kon houden tegen de Barones, werd duidelijker wat Jongerius' bedoelingen waren. Hij vroeg me, met een betekenisvolle blik, wat mijn plannen voor die avond waren. Helaas voor hem had ik wel wat belangrijker zaken te doen. "Ik ga bidden naar mijn god." zei ik kortaf, en ik liep weg zonder me te verontschuldigen. De situatie met de goden begon voor veel anderen aardig vervelend te worden, en ik dankte Kharnun dat ik nog steeds geen last had van de rare misselijkheid. Ik zou zelfs letterlijk Kharnun hiervoor gaan danken, maar toen ik de herberg verliet om in het donker een rustig plekje te zoeken kwam ik Polomeus tegen. Hij vroeg om mijn hulp en die bood ik natuurlijk aan. Isa, William, Claudius, Edith en een anders priester van Ishtra zouden proberen te achterhalen wat de oorzaak was van de blokkade die priesters en magiërs ondervonden. Mijn hulp was gewenst om het ritueel in de gaten te houden. Ik keek Edith nerveus aan voor het ritueel van start ging.
William zat in het midden, met Isa achter hem en de twee Ishtra priesters naast hem. Claudius hanteerde de prisma die Polomeus meegenomen had, en Polomeus tuurde over de prisma naar William in de hoop de blokkade te kunnen zien en de oorsprong van de blokkade te achterhalen. Ik liep rondjes in de rituele cirkel, zodat ik alle deelnemers goed kon zien, maar ineens viel me op dat een tweetal tekeningen van een roos waren verschenen aan mijn voeten. Later kwamen daar twee tekeningen van een weegschaal bij.
Het zei ons allemaal niets.
Polomeus liet het hier niet bij zitten. Hij had eerder die avond met Edith geprobeerd wat er zou gebeuren als hij de magische tekens zou tekenen, en hij wilde het nogmaals proberen. De eerste keer was zeer onprettig geweest voor hem, maar nu ging hij nog verder. Niet drie of vier tekens, maar liefst tien werden er op de bosgrond getekend. Even leek het niets uit te halen, maar toen overspoelde de angst ons allemaal. Ik rende in blinde angst weg van de plek, weg van de herberg, verder de bossen in. Het duurde even voordat ik gekalmeerd genoeg was om terug te keren en daar vond ik Polomeus die met zijn mes in zijn arm aan het kerven was, nogmaals hetzelfde teken.
Wat een slecht plan.
Het ging wanhopig mis en Edith was nodig om hem te genezen. De tranen stonden in haar ogen, nadat haar misselijkheid langzaam wegtrok, en ze wilde niets zeggen. Claudius was ook met stomheid geslagen. Ik had echter mijn woordje klaar. Ik vroeg de andere twee om even verderop te lopen, en toen ik Polomeus onder vier ogen had zei ik slechts twee zinnen tegen hem.
"Je bent heel hard op weg naar het pad van Kharnun." Ik liet een pauze vallen. "En daar ben je meer dan welkom."
Een glimlach speelde om mijn lippen, en ik liet hem achter met deze gedachten. Hij hoefde er nog maar eentje te verraden, Eleena, zijn godin, en dan...zou hij van Kharnun zijn.
Zondag
Temidden van alle pogingen tot het oplossen van het probleem met de magie werd de herberg overspoeld door demonische wezens en ook daar was nog geen oplossing voor gevonden. Bij het ontbijt kwamen deze impen ons weer lastig vallen, maar ondanks de vele waarschuwingen moest en zou het toernooi doorgaan. Ik liftte mee met de ezelkar en arriveerde voor de meeste anderen. Het was nog rustig bij de tempel van Shelindra, maar er waren al wat halfelven aanwezig en het personeel zette kannen water klaar voor de dorstige avonturiers.
Ik stelde een brief op voor de ridder die uitkwam voor de heerlijkheid Dreven, en werd daarna vriendelijk toegeknikt door ridder Jongerius. Ik hoopte dat hij zijn intenties eindelijk duidelijk wilde maken, maar in plaats daarvan vroeg hij of ik ook massages verzorgde.
"Ik denk dat u het verkeerde gilde voor ogen heeft." sprak ik koeltjes. "Ik ben gildemeester van Taligheid en Vermaak, niet van Gelag en Lijfelijkheid." Er waren vast wel dames die hem tegemoet konden komen in zijn wensen, maar zonder huwelijkssjaal zou er door mij niet gemasseerd worden.
Er moesten die dag nog odes aan Shelindra gebracht worden en er zou nog een strijd zijn van de ridders, maar ze besloten dat het toch niet zo belangrijk was om te strijden. Ze konden beter hun krachten sparen. Er werd gesproken over de hagedismensen die een ultimatum hadden uitgebracht, en tegen de tijd dat de zon op zijn hoogst stond, zouden ze terugkeren.
En ze kwamen. De hagedismensen hadden imps bij zich die we de dagen ervoor ook al hadden gezien. Polomeus probeerde ze te lokken met een ritueel maar ze leken er niet om te geven. Een van de impen die te dichtbij kwam liet ik struikelen met een spreuk, maar er werd geen acht op geslagen. Gambo probeerde nog te onderhandelen met de hagedissen, maar het lukte niet. Jongerius stond zelfs klaar om ze achterna te gaan het bos in, ondanks waarschuwingingen over halfelven, de malachim en natuurlijk dat de hagedissen zelf veel beter zouden zijn dan mensen in deze bossen van Ishtra.
Toen de rust weer een beetje teruggekeerd was, stonden we klaar om terug te gaan naar de herberg, onze bezittingen in te pakken en terug naar huis te gaan. Maar eerst wilde Leopold nog wat vragen.
Hij vroeg aan vrouwe Illa of zij zijn dame wilde worden, en natuurlijk stemde ze in.
-----
Ik vergeet vast van alles, maar ik wil het verhaal gewoon heel graag op mijn blog zetten zodat het klaar is. Misschien dat ik er nog wat foto's invoeg als ik ze bewerkt & geüploadt heb.
no subject
Date: 2012-07-05 07:23 am (UTC)no subject
Date: 2012-07-08 07:16 pm (UTC)